Nationale politie komt er, de vraag is wanneer

Iedereen zag al aankomen dat er op 1 januari geen nationale politie is. Toch hield minister Opstelten vast aan die datum. Waarom?

Als minister ga je niet over de agenda van het parlement. Dat is de officiële reactie van minister Opstelten, nu duidelijk is dat hij het niet gaat halen om de nationale politie per 1 januari in te voeren.

Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) heeft formeel gelijk. Eerste en Tweede Kamer bepalen hun eigen agenda – en die zit bomvol, zeker aan het einde van een jaar. Maar een planning had hij wel degelijk.

Eind maart stuurde Opstelten zijn tijdschema voor de omvorming van de 25 politiekorpsen naar één nationaal korps naar de Tweede Kamer. Volgens die planning had de Tweede Kamer eind oktober met de wet moeten instemmen. Dan had de Eerste Kamer november en december gehad om erover te spreken en kon 1 januari ook echt ‘dag één’ van de nationale politie zijn, zoals de start van het nationale korps in de documenten officieel heet.

Al weken zag iedereen aankomen dat die datum onhaalbaar was: van oppositiepartijen in de Kamer tot politievakbonden en burgemeesters in de regio. Opstelten hield vol dat hij goede hoop had dat het er toch op tijd door zou komen. Waarom?

Om druk op de ketel te houden, denken de betrokken partijen. Hoe meer tijd, hoe meer kans belanghebbenden immers hebben voor hun lobby. Ronald van Raak, Tweede Kamerlid van de SP, denkt dat Opstelten vooral de burgemeesters heeft willen aanmanen. Die verliezen in het plan formeel hun gezag. Van Raak: „Ik snap zijn probleem wel, hij moet druk houden. Maar hij moet gewoon tegen hen zeggen: dit gaat gebeuren, en vervolgens de discussie wél inhoudelijk voeren.”

In zijn wetsvoorstel deelt Opstelten Nederland op in tien regionale eenheden. Per gebied komt er een ‘regioburgemeester’: de burgemeester van de grootste stad. Als de ‘kleinere burgemeesters’ er onderling niet uitkomen, hakt die de knoop door. Mocht dan nog wrevel bestaan, dan heeft de minister uiteindelijk het laatste woord over hoe mensen of middelen worden ingezet.

Vooral vanuit Oost-Nederland klinkt kritiek op de indeling van die tien regio’s. Overijssel en Gelderland zitten samen in één korpsregio: dat zijn samen 81 gemeenten. Te veel, volgens onder anderen Ank Bijleveld, commissaris van de koningin in Overijssel. Eén van de belangrijkste doelen van deze nationale politie is minder bureaucratie, maar met 81 burgemeesters krijg je juist veel meer onderlinge overlegjes om de politie-inzet te regelen, zegt zij. „Dat wordt een soort Poolse landdag.” Bijleveld bepleit een splitsing van wat nu het ‘oostblok’ heet, in twee provincies.

Volgens voorstanders van de plannen van Opstelten wordt er vooral gepleit voor deze splitsing, omdat de burgemeesters in het oosten het maar niets vinden dat hun regioburgemeester straks in Nijmegen zit. Dat is wel erg ver weg voor, zeg, een burgemeester in Enschede – en die heeft straks ook nog eens minder te zeggen dan zijn Nijmeegse collega.

De vertraging in het proces is vooral ongemakkelijk voor de politie: al sinds dit voorjaar zijn de kwartiermakers de overgang aan het voorbereiden, en veel mensen binnen de politie zijn onzeker over hun baan. Maar dit uitstel betekent zeker niet dat de nationale politie er niet komt. Want in de Kamer bestaat op zich genoeg steun: oppositiepartijen D66, SP en PvdA steunen in principe zo’n nationale coördinatie. Dat scheelt geld en bureaucratie, als het goed is. Maar dan willen ze wel precies weten hóé Opstelten dat gaat doen. SP’er Van Raak: „De wet zoals die er nu ligt, heeft te veel open eindjes.”