Megastallen? Dit zijn familiebedrijven

Staatssecretaris Bleker doet even niets tegen megastallen. Hij is tegen excessen, maar de eerlijke, hardwerkende boer moet z’n gang kunnen gaan.

Eindelijk weer eens een onderwerp waarop het CDA zich mooi kan profileren. Is het wenselijk dat intensieve veehouderij „ongebreideld” door blijft groeien? Nee, stelt staatssecretaris Bleker (Landbouw, CDA) in zijn gisteren gepresenteerde visie op megastallen.

Waarom eigenlijk? Niet omdat megastallen slecht zouden zijn voor het milieu – grootschalig boeren is volgens Bleker immers vaak beter voor het milieu. Ook niet omdat het welzijn van de dieren daaronder lijdt – de dieren hebben het niet zelden beter dan in kleinere bedrijven. En evenmin omdat het landschap door die lelijke stallen vernield zal worden – dat hangt volgens de bewindsman af van lokale omstandigheden.

Nee, megastallen zijn volgens Bleker eigenlijk vooral onwenselijk als ze zomaar in het landschap zijn neergekwakt, zonder geschiedenis in de de omgeving, door cowboys die met „vreemd vermogen” bedrijven met drieduizend koeien of twee miljoen vleeskuikens uit de grond stampen. Dat zijn „excessen” die de „schaal van Nederland” te boven gaan, en die dit kabinet wil kunnen verbieden. Volgend jaar komt er een wettelijke regeling om zulke „gigabedrijven” te weren. Indien ze de volksgezondheid schaden. Omdat ze strijdig zijn met de „ethiek”. Of omdat de „sociaal-economische effecten” ervan ongewenst zijn – lees: omdat ze de kleinere boeren wegconcurreren.

Alle andere bedrijven mogen doorgroeien, als het aan Bleker ligt. En die vormen de overgrote meerderheid. Het betreft stallen gebouwd uit de „natuurlijke behoefte” van traditionele gezinsbedrijven. Van families die in overleg met supermarkten en vleesverwerkers „duurzaam” willen groeien om „een of twee gezinsinkomens” te verwerven. Bleker schetst het beeld van eerlijke, hardwerkende boeren, geworteld in lokale gemeenschappen, die het hoofd alleen boven water kunnen houden als ze „geleidelijk” groeien. Henk en Ingrid op het platteland.

Een duidelijke grens aan de groei is er wat het kabinet betreft niet. Het gaat om bedrijven met aantallen dieren die net onder de grens liggen van wat nu onder een megastal wordt verstaan. Bedrijven met drie- tot vijfhonderd koeien. Zesduizend vleesvarkens. Honderdduizend legkippen. Internationaal gezien, stelt Bleker, zijn het „middelgrote bedrijven”. Niets bijzonders dus eigenlijk. Het is alsof het kabinet de gestage opmars van flatgebouwen niet wil dwarszitten, en alleen de bouw van enkele wolkenkrabbers wil verbieden. Wel vraagt Bleker provincies en gemeenten voorlopig geen vergunningen af te geven voor nieuwe bedrijven die zo groot zijn dat een bestemmingswijziging nodig is.

De reacties op de kabinetsplannen wisselen. De grootste strijder tegen megastallen, Vereniging Milieudefensie, is teleurgesteld. „Bleker legt de groei van megastallen geen strobreed in de weg, hij bagatelliseert zelfs de problemen voor milieu, dierenwelzijn en volksgezondheid die samenhangen met schaalgrootte.”

Boerenorganisatie LTO Nederland steunt in grote lijnen het plan en waarschuwt Nederland. „Geleidelijke groei en bedrijfsontwikkeling van familiebedrijven mogen door het huidige debat over schaalgrootte niet in de knel komen”, stelt voorzitter Albert-Jan Maat.

Zo heeft Bleker de discussie over megastallen langzaam maar zeker een stukje verlegd. Niet alleen de grootte of de mate van duurzaamheid van een bedrijf doet ertoe, maar of de megastal toebehoort aan „gewone gezinsbedrijven”. En de enige megastallen die dit kabinet wil verbieden, zijn reuzenstallen die zulke „normale bedrijven” het leven onmogelijk maken. Het behoud van de boerenklasse, daar gaat het dit kabinet om.