Keerzijde van subsidies

Iemand zou toch eens de geschiedenis moeten beschrijven van een van de machtigste pressiegroepen die in het naoorlogse Nederland hebben bestaan. Ik bedoel de Europese Beweging Nederland (EBN), opgericht in 1947. Vele politici, van links tot rechts, waren lid en zij kon bogen op een flink ledental in den lande. Ook het bedrijfsleven subsidieerde haar. Haar doel was natuurlijk de eenheid van Europa, iets waar niemand iets tegen kon hebben. Jarenlang zetelde zij in een fraai pand aan de Haagse Alexanderstraat.

Eens in het jaar hield zij een ‘Europees Beraad’ in een hotel aan de Veluwezoom. Ik werd daar aanvankelijk niet voor uitgenodigd, want ik was geen lid en werd zelfs als anti-Europeaan beschouwd. Het ‘wie niet voor mij is, is tegen mij’ is eigen aan bewegingen die menen de toekomst te belichamen. In werkelijkheid was ik niet tegen, maar alleen sceptisch ten aanzien van de haalbaarheid van vooral haar politieke doeleinden. Ik geloofde, kortom, niet dat Europa er ooit in zou slagen een politieke eenheid te worden. Tot dusver heb ik geen ongelijk gekregen.

Bovendien gaf ik, zolang de Koude Oorlog woedde, prioriteit aan Nederlands Atlantische banden boven zijn Europese, om de simpele reden dat Amerika Europa’s veiligheid kon waarborgen en Europa zelf niet. De ‘Europeanen’ zagen geen tegenstelling. Volgens hen lagen Nederlands Atlantische en Europese banden in elkaars verlengde of vormden zij concentrische cirkels. Bovendien wilde Amerika zelf ook Europa’s eenheid. Dat laatste was waar. Toch was ik niet zo zeker.

In 1973 zou ik een beetje gelijk krijgen. Tijdens de oliecrisis van dat jaar botsten Amerika en Europa over de houding ten aanzien van Israël in te nemen. Het liep zo ver, dat president Nixon op een goed ogenblik dreigde dat, als Europeanen door zouden gaan to gang up tegen Amerika, de NAVO wel eens in gevaar zou kunnen komen.

Misschien was dit ook een ogenblik voor zelfbezinning voor de EBN, want niet lang daarna werd ik wél voor het Europees Beraad uitgenodigd. Was zij tot de overtuiging gekomen dat dit niet een beraad moest blijven tussen mensen die het toch al met elkaar eens waren? Hoe het ook zij – sindsdien heb ik meermalen aan dat beraad deelgenomen, en ik moet zeggen: het was niet oninteressant. Je ontmoette er velen die een vinger in de Nederlandse politiek hadden (niet dat die op zichzelf altijd zo interessant waren, maar ja, ze waren onze bewindslieden en volksvertegenwoordigers).

Natuurlijk, er waren ook de op elk congres onvermijdelijke zeurpieten, querulanten en naïevelingen, die dachten dat met een beetje goede wil Europa’s eenheid morgen tot stand kon komen. Helaas, aan goede wil ontbrak het niet, maar als puntje bij paaltje komt, hebben politici, om heel begrijpelijke redenen, toch vaak net andere prioriteiten, die dichter bij de belangen van de kiezers liggen, en tja, politici willen herkozen worden.

Maar in het algemeen bewaar ik goede herinneringen aan die bijeenkomsten. Plotseling hielden ze echter op. En dat niet alleen: van de hele EBN bleef weinig over dan een postbusnummer en een kleine duizend leden. Wat was er gebeurd? Buitenlandse Zaken had in 2006 de subsidiekraan, waaruit nog ruim 32.000 euro kwam, dichtgedraaid. Na deze ramp kwam er geen volksbeweging op gang om het werk van de EBN op eigen kracht voort te zetten.

Geen reden voor leedvermaak, wél voor enkele vragen. Had de Europees-gezinde reputatie van Nederland, dat anderen kapittelde om hun lauwheid, dan alleen maar op schijn berust? Of was het grootste deel van de bevolking eigenlijk vooral onverschillig gebleven, zoals het ten aanzien van alle kwesties van buitenlandse politiek – en Europa bleef voor de meesten buitenland – onverschillig was gebleven, tenzij zijn veiligheid of portemonnee direct bedreigd werd?

Is het wel helemaal koosjer dat de overheid subsidies verleent aan clubs die zich ook tegen haar beleid kunnen keren of op z’n minst als luis in haar pels kunnen werken? ’t Lijkt op het creëren van een kunstmatige oppositie. Of diende de subsidie aan de EBN om tegen het parlement te kunnen zeggen: zie je wel hoe Europees-gezind wij zijn? (Dat werd namelijk nog wel eens in twijfel getrokken.)

In de Ontwikkelingssamenwerking (OS) kregen die vragen een veel acutere betekenis. Zo subsidieerde minister Boertien (1971 / 3) veel clubs die zich met OS bezighielden en er een aardige boterham aan over hielden. Eén ervan schold de minister in haar blaadje uit voor rotte vis, beet dus de hand die haar voedde. Hoe goed moet een minister zijn om buurmans gek te worden? Dat zou zijn opvolger, Jan Pronk, niet gebeuren. Hij bouwde al die clubs, die toch al vol zaten met zijn aanhangers, om tot een satellietenrijk dat zijn lof zong. Die man wist wat macht was (zeg ik bewonderend).

Om op de EBN terug te keren: haar tegenhanger de Atlantische Commissie leidt, zo te zien, een florissant bestaan. Zo geeft zij een vrij luxueus, dus duur tijdschrift uit. Zij krijgt dan ook, in tegenstelling tot de EBN, nog altijd subsidie van Buitenlandse Zaken en Defensie – ten bedrage van 580.000 euro. Spreekt hier een prioriteitskeuze uit ten gunste van de NAVO en ten ongunste van Europa? Dat zou dan in strijd zijn met de verzekering die elk kabinet al sinds zestig jaar geeft: het ene heeft geen prioriteit boven het andere (wat al dan niet waar is – afhankelijk van welke minister van Buitenlandse Zaken in functie is).