'In Nederland moet je altijd gestraft worden'

Het typisch Nederlandse geluid van de hobo verdwijnt, zegt Han de Vries. Van zijn werk is een jubileumbox verschenen.

Eenmaal per jaar, op Open Monumentendag, stelt hij zijn sprookjesachtige huis aan de Amsterdamse Vondelstraat open voor publiek: het in neogotische stijl opgetrokken oude woonhuis van Pierre Cuypers, de architect van het Rijksmuseum. Wie het huis van Han de Vries (1941) betreedt, waant zich in de late negentiende eeuw. De royale, donkerkleurige bouwstijl verbreidt een warme sfeer waarin je je meteen thuis voelt. Een kwarteeuw geleden liet De Vries het pand geheel in oude staat herstellen. Een paar leerlingen schuurden en schraapten mee, in ruil voor les. En nu is het een monument, van binnen en van buiten.

Han de Vries is zeventig jaar en kwiek als altijd. Hij kijkt terug op een van de meest opvallende hobocarrières uit de Nederlandse muziekgeschiedenis. In 1964 werd hij solohoboïst bij het Concertgebouworkest, een positie die hij in 1971 opgaf om zich toe te leggen op een solocarrière. Platenhoezen aan de muren tonen de vele grote musici met wie hij samenwerkte: van Jaap van Zweden tot Otto Klemperer, van Louis van Dijk tot Radu Lupu.

Ter gelegenheid van De Vries’ zeventigste verjaardag bracht het Britse label Oboe Classics deze week een jubileumbox uit met negen cd’s en twee dvd’s. „Een kroonstuk op mijn carrière”, noemt De Vries de box. „Het is een prachtige hommage aan de hobo en het hoborepertoire. De grote labels zijn alleen geïnteresseerd in Bach, Vivaldi, Albinoni en Telemann, waardoor iedereen denkt dat er voor hobo niets anders geschreven is. Maar wat dacht je van heel goede Nederlandse negentiende- en twintigste-eeuwse componisten zoals Julius Röntgen en Rudolf Escher? Of van buitenlandse grootheden als Bruno Maderna en Morton Feldman? Ze hebben allemaal prachtige muziek voor hobo geschreven. Maar ook minder bekende klassieke werken, zoals drie trio’s van Beethoven, een soort studies voor niet nader genoemde instrumenten. Ik heb ze opgenomen met George Pieterson op klarinet en Joep Verwey op fagot. Die muziek kent bijna niemand, maar ze is echt schitterend.”

Kachel

De Vries laat liefdevol zijn unieke collectie van ongeveer zeventig hobo’s zien van vaak honderden jaren oud: klassieke hobo’s, barokhobo’s, alsmede hun vele oriëntaalse broertjes. Aan elke hobo kleeft een persoonlijk verhaal. Interesse voor historische instrumenten typeert De Vries, die niet alleen modern hobo speelde, maar zich op aanraden van Frans Brüggen ook bekwaamde op de barokhobo. „Het was een geweldig keerpunt toen men ontdekte dat oude instrumenten heel bruikbaar kunnen zijn. Voor de oorlog was het nog zo dat als het conservatorium nieuwe hobo’s aanschafte, de oude gewoon de kachel in gingen. Nu weten we gelukkig dat je van oude instrumenten veel kunt leren. Je speelt anders, fraseert anders. En neem de toonsoorten: vroeger stonden die allemaal voor verschillende karakters. Maar op moderne instrumenten, die veel grotere technische mogelijkheden hebben, verdwijnen die verschillen.”

Naast oude muziek speelde de Vries ook jazz – Willem Breuker droeg twee hoboconcerten aan hem op – en veel hedendaagse muziek: Peter Schats Thema (1970) bijvoorbeeld, voor elektrisch versterkte solohobo, gitaren, hammondorgel en blazers. „Breedheid heb ik altijd heel bewust opgezocht. Ik vond het reuze spannend en belangrijk om me voor nieuwe muziek in te zetten.” Scepsis is er ook: „Ik moet wel zeggen dat na de oorlog uit Nederland ook veel ‘motregenmuziek’ kwam: vaak nogal percussieve, ‘boze’ muziek, zonder het gulle geluid dat we kennen uit de zuidelijke landen. Heel calvinistisch vind ik dat. In Nederland moet je altijd gestraft worden.”

De Vries’ blik betrekt als hij spreekt over het lot van de Nederlandse hoboschool, waarvan hij de beroemdste exponent is. Deze school werd gevestigd door De Vries’ eerste leraren, Jaap Stotijn en Haakon Stotijn en wordt verder vertegenwoordigd door beroemde hoboïsten als Werner Herbers, Jan Spronk en Pauline Oostenrijk. „De Nederlandse hoboschool herken je aan een melodieuze, open klank”, legt de Vries uit. „En bovenal aan een nadruk op muzikaliteit boven techniek. Tegenwoordig is daar helaas weinig meer van over, doordat het muziekleven de laatste tijd sterk is geïnternationaliseerd. Het Concertgebouworkest trekt graag buitenlandse dirigenten aan, die zelf ook weer buitenlandse musici aantrekken. Daardoor verdwijnt het typisch Nederlandse geluid van de hobo. Dat geldt ook voor het orkest als geheel. Er is een soort internationaal klankconcept. Mooi op zichzelf, maar weinig karakteristiek.”

Altijd snel

Ook heeft de Nederlandse school volgens De Vries te lijden onder een verandering in de speelstijl. „Anner Bijlsma spreekt vaak over het verschil tussen ‘making music to please’ en ‘making music to proof’. Dat spreekt mij erg aan. Veel musici spelen tegenwoordig over-expressief. Ze vergroten alles uit. Langzaam wordt extreem langzaam, snel extreem snel. Crescendi zijn altijd grote cresendi, enzovoorts. En niet in de laatste plaats bewegen musici veel meer dan vroeger. Ik denk dat dat komt door de moderne tijd, met zijn overkill aan invloeden. Er is veel herrie en chaos, en weinig ruimte voor verstilling. Je moet de aandacht van het publiek echt veroveren tegenwoordig. Vandaar die groteske stijl. Maar van mijn docenten leerde ik juist het tegenovergestelde: dat het om het innerlijk van de muziek gaat, en niet om uiterlijk vertoon.”

Nu De Vries zich uit het actieve muziekleven heeft teruggetrokken, heeft hij een oude liefde weer opgepakt: de beeldende kunst. „Vanaf de dag dat ik stopte ben ik begonnen te tekenen en schilderen. Tot mijn dertiende heb ik dat veel gedaan. Ik zat zelfs op de academie in Den Haag, waar ik veel geleerd heb. Maar het conservatorium nam al snel de overhand. Nu heb ik het weer opgepakt. Beeldende kunst is voor mij een even sterke impuls als musiceren. En het is heerlijk dat ik eindelijk scheppend bezig ben, terwijl ik als hoboïst altijd alleen werk van anderen speelde.”

Het resultaat is indrukwekkend. Aan de muren hangen louter schilderijen van hemzelf. Ook zijn expressieve tekeningen, soms komisch, soms stemmig of bizar, bewijzen dat De Vries’ artistieke fantasie nog volop in leven is. Heeft hij nooit eens heimwee naar de hobo? „Nee, hoor”, zegt hij op z’n gemak. „Met mijn nieuwe cd-box is echt iets afgerond. Het was heel spannend om mij zelf terug te horen na al die tijd, maar ik moet zeggen dat ik beregoed gespeeld heb.”

Jubileumbox ‘The art of Han de Vries’ (negen cd’s en twee dvd’s). Uitgever Oboe Classics.

    • Bas van Bommel