Het wonderlijke jaar 1989

In Karlsruhe is een ambitieuze tentoonstelling te zien over de metamorfose van de kunstwereld sinds 1989. De hegemonie van het Westen, zo blijkt daar, is definitief verbrokkeld.

We zaten er met onze neus bovenop, de televisie schalde door het huis, kranten werden haastig van de mat gegraaid, want we wilden niks missen. De Muur wankelde, brokken beton werden stukgeslagen – we propten ons met zijn vieren en een grote hond in een oude Peugeot en reden richting Berlijn waar we ons tussen hossende Oost-Duitsers voegden op de Glienecke Brücke. We dachten dat de geschiedenis op dat ogenblik werd geschreven, en wij stonden er midden in.

Dat dachten we.

Bekijken we nu, meer dan twintig jaar later, het wonderlijke jaar 1989, dan moeten we met zijn allen bekennen: wat zagen we maar weinig. Natuurlijk, we zagen de evidente politieke gebeurtenissen: de verkiezing van de anti-apartheidspresident De Klerck in Zuid-Afrika, de kogels die de Ceausescu’s in Roemenië doorzeefden, de Sovjet-Unie die smolt onder Michail Gorbatsjov. Maar beseften we in de hitte van het moment wat de gevolgen waren? Hadden we een flauw benul van alle andere omwentelingen die ook op het punt stonden te gebeuren of al gebeurden? Neem de uitvinding van het World Wide Web in 1989 door Tim Berners-Lee in het Zwitserse CERN. Of de eerste Gameboy die Nintendo in hetzelfde jaar op de markt bracht. Of de lancering van Rupert Murdochs Sky Television in de ruimte. Haalden we er niet ook onze schouders over op, vele jaren lang, zelfs op de redacties van kranten en televisie? Ach, zo’n vaart zou het wel niet lopen.

Maar zo’n vaart liep het wel. De aarde werd in een razendsnel tempo ‘plat’, zoals Thomas Friedman, columnist van The New York Times, het uitdrukte. Oude ideologieën werden aan de kant geveegd, de vrije markt greep om zich heen, ook in China, India, Latijns-Amerika en Rusland. Iedereen kon via zijn mobiele telefoon of e-mail met iedereen communiceren. De wereldwijde beweging die globalisatie heette, werd een feit. Die beweging deed niet alleen de politieke en financiële wereld op haar grondvesten schudden, maar ook de kunstwereld en iedereen die zich daarin voortbewoog.

Wat zagen we ervan, terwijl we er middenin stonden?

Voormalige wapenfabriek

In het Zentrum für Kunst und Medientechnologie (ZKM) in het Duitse Karlsruhe is de komende maanden een even ambitieuze als diepgravende tentoonstelling ingericht, die de kunstwereld en de metamorfose daarvan sinds 1989 tot onderwerp heeft. Het ZKM – een soort elektronisch Bauhaus dat is gehuisvest in een piekfijn verbouwde, voormalige wapenfabriek - omvat tentoonstellingsruimtes, musea voor hedendaagse kunst, beeld en geluid, een media-academie, een filmpaleis, een restaurant, conferentieruimtes en nog veel meer. In Nederland geniet het sinds 1989 geopende instituut nog steeds weinig bekendheid. Hoe onterecht dat is, laat de tentoonstelling The Global Contemporary – Art Worlds after 1989 zien.

Het is bepaald geen thematentoonstelling die in een weekje in elkaar is geknutseld, met kunstenaars die rap bij elkaar zijn gezocht, een tekstje in een catalogus erbij, kaftje eromheen. Jaren van onderzoek zijn aan deze mega-expositie voorafgegaan. Meer dan honderd kunstenaars en kunstenaarscollectieven – bekende en onbekende namen – zijn door een team van internationale curatoren uit alle continenten geselecteerd. Hun werk, zowel bestaand als nieuw, heeft nu ruim baan in een van de reusachtige hallen van het ZKM.

Om grip op het gigantische onderwerp te krijgen zijn de foto’s, installaties, video’s, films, tekeningen, beeldhouwwerken en schilderijen losjes onderverdeeld in zeven meer of minder poëtische thema’s. Die thema’s – van ‘wereldtijd’ tot ‘grenskwesties’, van ‘postkoloniale kunst’ tot ‘kunstmarkten’ – zijn losjes over de ruimte verspreid. Als kijker merk je er nauwelijks iets van. Nergens wordt de thematiek dwingend of worden de kunstwerken uitleggerig of belerend. De meer dan een dag durende rondgang van kunstwerk tot kunstwerk is een prettige ontdekkingstocht die vergezichten opent, maar nergens voorschrijft.

Naast deze tentoonstelling zijn de afgelopen vijf jaar ook nog eens drie lijvige boeken gepubliceerd. Die boeken zijn het theoretisch ‘voorzetje’ van de expositie. In Karlsruhe en Frankfurt zijn conferenties en workshops geweest over de betekenis van hedendaagse kunstmusea in het tijdperk van globalisering, over de boom in de kunstmarkt, de toenemende onafhankelijkheid én internationalisering van lokale kunstproducenten in voormalige derdewereldlanden. Er is gedebatteerd over de opkomst van jonge, steenrijke grootverzamelaars uit landen als India, Mexico, Oekraïne, China en Japan. Al dat heeft zijn weerslag gevonden op The Global Contemporary.

Eén ding staat buiten kijf. Het tijdperk van westerse collectioneurs als François Pinault, Eli Broad of Charles Saatchi, die jarenlang de kunstwereld domineerden, kwakkelt naar zijn einde toe. En dat heeft niet alleen met de hoge leeftijd van de verzamelaars te maken (Saatchi is met 68 de jongste van de drie). De hegemonie van het Westen is definitief verbrokkeld en nu doet zich een rare omkering voor. Bezaten Amerika en Europa de alleenheerschappij om te bepalen welk land, welke cultuur binnen- en buitengesloten kon worden, wie modern was en wie achterliep: nu dreigen Amerika en Europa voor het eerst zelf buitengesloten te worden door nog machtiger spelers.

Hoe buitengesloten, wordt schrijnend duidelijk op de tentoonstelling. In drie even verontrustende als komische videoperformances vertolkt de Angolese kunstenaar Nástio Mosquito (1981) met flair de rol van kapitalistische businessman. In de buitenlucht, met niet meer bij zich dan drie gekleide landkaarten van Europa, Afrika en Amerika die op een grofkorrelige muur zijn geplakt, spreekt Mosquito de toeschouwers toe. Het klinkt alsof hij een persconferentie geeft voor Sony, voor Apple, voor het Witte Huis. „Today, I bought Europe”, verklaart Mosquito triomfantelijk. „Today, I bought the US of A. Your ignorance, your comfort, the simplicity of your supremacy – I bought it!”

Opportunistische strategieën

Ook de Chinees Zhou Tiehai (1966) stelt in een zwijgend pareltje van een zwart-witfilm onbarmhartig én subtiel de opportunistische strategieën van westerse kunstenaars en tentoonstellingsmakers aan de orde en de spelregels waaraan je moet voldoen wil je als niet-westerse kunstenaars deelnemen aan het internationale kunstcircuit. Will/We Must toont vijf korte episodes uit Chinese propagandafilms uit de communistische tijd. Je ziet arbeiders aan een tafel gebogen over een landkaart, een arbeider in een openbare telefooncel. Omdat elk geluid is weg gezuiverd, komen de teksten die tussen de verschillende scènes zijn afgedrukt ijzingwekkend over. „Ik neem deel aan iedere expositie die je voor me in petto hebt”, zegt de kunstenaar/arbeider gretig door de telefoon ergens in China. „We moeten ons eigen vliegveld aanleggen”, legt kameraad nummer 1 uit aan de andere kameraden die aan tafel zitten. „Iedere stad heeft tegenwoordig zijn eigen vliegveld – willen wij achterblijven?”

Nee, niemand wil achterblijven. En dus is er veel commentaar in Karlsruhe op de manier waarop die wens gestalte kreeg en krijgt. De nieuwe geglobaliseerde kunstwereld bestaat uit de aanname van een creatief walhalla, waarin alles mag en kan, waarin een kunstenaar vrij is van welke beperking dan ook omdat hij alleen zo zijn diepste talenten tot uitdrukking kan brengen. Hedendaagse kunst zou als gevolg daarvan mateloos gevarieerd en veelvormig zijn.

Mis, zeggen de auteurs van de catalogus. Succesvolle hedendaagse kunst ziet er wel degelijk gelijkvormig uit. Ze is installatiekunst, schilderkunst, fotografie – haar uiterlijk is kleurig, realistisch en met een verwijzing naar politieke misstanden. Biënnales stromen ervan over. Niet voor niets is de foto die Anna Jermolajeva (1970) maakte van een kopie van het Kremlin in het Turkse vakantieparadijs Antalya, uitgegroeid tot een van de boegbeelden van geglobaliseerde kunst. De foto, uit de reeks Kremlin Dubbelgangers, verpakt handig boodschappen over schijn en werkelijkheid, en over de fictie van een supermacht in esthetische, kleurige en vooral glossy beelden.

Mis, zegt ook de autodidactische Congolese schilder Chéri Samba (1956). In de jaren negentig werden zijn kleurrijke, realistische en een beetje op strips lijkende schilderijen juichend op de westerse kunstpodia binnengehaald. Maar musea en verzamelaars raakten verveeld. Was Samba niet gewoon een heel uitgekookte, commerciële kunstenaar? Samba zelf ondertussen schildert gewoon door aan zijn relaas in het ontroerende L’Espoir fait vivre.

Mis, zegt ook de Israëlisch-Amerikaanse performance- en videokunstenaar Tamy Ben-Tor (1975). Ben-Tor, in Nederland nog nooit te zien geweest maar in New York een rijzende ster, persifleert briljant een westerse kunstcritica die steeds ‘elke trend vooruit is’, een depressieve artist-in-residence, die voor de zoveelste keer in een vreemde stad arriveert, geen idee heeft wat ze moet maken en uiteindelijk besluit om dát dan maar te archiveren als project. Het zijn clichés die helaas maar al te werkelijk zijn.

Mis, zegt ook de Thaise diasporakunstenaar Navin Rawanchaikul (1971). Hoewel nog lang niet oud, portretteert Rawanchaikul zichzelf in Curator Man and Navin als bejaarde man met een rolkoffertje. Het vliegtuig is net aangekomen, de nieuwe bestemming bereikt, het zweet onder de oksels is nog maar net opgedroogd. Kromgebogen en onzeker kijkt de kunstenaar omhoog naar zijn metgezel: een jonge curator wiens zilveren schoenen even hard glanzen als het imago dat hij wil uitstralen. Mobiel aan het oor gekleefd, de ogen op de einder gericht, stropdas geweven in een kleurenpatroon dat terugkomt in het biesje op de aktetas. Ja, zo ziet de wereld eruit, als je er van een afstand naar kijkt.

‘The Global Contemporary. Kunstwelten nach 1989’. T/m 5 febr in het ZKM, Lorenzstraße 19, Karlsruhe. Inl: www.global-contemporary.de, www.globalartmuseum.de