Groep helpt zwangere dolfijnen met jagen

Ze zijn nog steeds verrassend sierlijk, alleen niet meer zo watervlug. Hoogzwangere dolfijnen ondervinden bij het zwemmen nogal veel hinder van hun dikke buik. Ze kunnen veel minder goed zwemmen en duiken, en daardoor ook minder goed jagen en ontsnappen aan roofdieren. Dolfijnen zijn daardoor tegen het eind van hun zwangerschap afhankelijk van hun groepsgenoten, concluderen Amerikaanse onderzoekers. Zonder hulp bij het jagen en bij het ontvluchten van roofdieren zouden velen het niet redden. Het onderzoek staat deze week in het Journal of Experimental Biology.

De Amerikanen bestudeerden twee tuimelaars in gevangenschap in Hawaï, tijdens hun zwangerschap en tot een jaar daarna. De dieren konden vrijuit zwemmen in een groot bassin. De onderzoekers filmden ze met onderwatercamera’s. De videobeelden analyseerden de biologen met speciale software, zodat ze konden rekenen aan de zwembewegingen en de waterweerstand.

Hoogzwangere dolfijnen hebben een buikomvang die een kwart groter is dan normaal. Dat zorgt voor een waterweerstand die ze in niet-zwangere toestand pas ondervinden bij een twee keer zo hoge zwemsnelheid. Doordat hun buikspieren zijn opgerekt kunnen ze hun staart niet meer zo ver op en neer bewegen – hun enige manier van voortbewegen. Ze zwemmen gemiddeld maar 5 kilometer per uur, tegenover de 15 kilometer per uur van niet-zwangere soortgenoten. Hun maximumsnelheid ligt op 12 kilometer per uur – lang niet genoeg om orka’s en haaien te ontvluchten. Normaal gesproken halen ze makkelijk het dubbele. Deze aanstaande moeders hebben ook nog eens meer vet én lichter vet dan normaal, waardoor hun drijfvermogen vier keer groter is. Dat maakt duiken een hele opgave.

Nooit eerder is de invloed van zwangerschap op de mobiliteit zo gedetailleerd onderzocht – niet bij zoogdieren, maar ook niet bij andere diergroepen. Bij mensen, schrijven de onderzoekers, zijn de individuele verschillen tussen zwangere vrouwen zo groot dat er geen eenduidige conclusies te trekken zijn.