Geluid in film maakte alles stijf en houterig

De film The Artist gaat over winnaars en verliezers van de geluidsfilm.

De introductie van geluid was in eerste instantie een achteruitgang.

scene uit de film The Artist (2011) FOTO: Cineart

De overgang van zwart-wit naar kleur, van celluloid naar digitaal, van 2D naar 3D: het valt allemaal in het niet bij de razendsnelle, ingrijpende overgang van zwijgende film naar geluid. Twee jaar nadat geluidsfilm The Jazz Singer in 1927 Amerika had veroverd, maakte Hollywood nauwelijks nog stille films.

De geluidsfilm was een massagraf van reputaties en carrières. En er was veel kritiek op de ontwikkeling. Was de essentie van film niet juist de suggestieve stilte? Voor verbaal drama had je toch toneel? Wie film niet louter als volksamusement, maar ook als kunstvorm waardeerde, moest het wel afwijzen. Zoals filmkenners meestal weinig zien in innovaties, of het nu om geluid, kleur of 3D gaat.

Overigens heeft stille film nooit bestaan. Eerder was film tot 1929 een soort halffabricaat, zoals filmhistoricus Karel Dibbets het formuleert. Bioscopen zorgden voor geluid: een pianist, een kamerorkest, een orgel met geluidseffecten of zelfs complete symfonieorkesten. Explicateurs en variétéacts tussendoor completeerden de circussfeer.

Gimmicktechnologie

Geluidsfilm was een eindproduct dat overal hetzelfde oogde en klonk. De gevolgen waren groot. Vaudevilletheaters, wier beste artiesten nu op het witte doek waren te bewonderen, werden opgedoekt, alsmede bioscooporkesten, die in Amerika werk boden aan de helft van de muzikanten – het nieuwe medium radio bleek gelukkig een toevluchtoord. De bioscoop ging met kranten concurreren als nieuwsbron. En Hollywood schiep, geprikkeld door hoge winsten en externe dreiging, een soort filmkartel: het studiosysteem.

Geluidsfilm was aanvankelijk een inferieur eindproduct. Zoals stille ster George Valentin in The Artist de slappe lach krijgt bij zijn eerste geluidsfilm, zo reageerden in 1927 velen. Met zo veel nadelen moest het wel een korte rage zijn, deze gimmicktechnologie die bovendien al vaker was mislukt. Voor 1900 was er al geëxperimenteerd met geluidsfilm; zo eens per jaar kwam er een systeem op de markt. Ze schoten tekort doordat ze beeld en geluid onvoldoende synchroniseerden en goede versterkers en boxen ontbraken om geluid over grote zalen te verspreiden. Maar in de jaren twintig vorderde de techniek zo snel dat twee kleinere Hollywoodstudio’s er brood in zagen: Warner Bros en Fox. De andere studio’s keken de kat uit de boom.

Het publiek bleek er ditmaal klaar voor, wellicht omdat het gewend was geraakt aan geluid uit blik in de vorm van radio en grammofoonplaat. Toen Warner Bros in 1927 The Jazz Singer uitbracht, waarin entertainer Al Jolson zeven liedjes zong en de legendarische zin „you ain’t heard nothing yet, folks” sprak, bleek het een ongehoorde filmhit.

Bijltjesdag

Voor echte liefhebbers was het een achteruitgang. De stille film had rond 1928 met meesterwerken als Murnaus Sunrise en King Vidors The Crowd een zekere perfectie bereikt. Geluid maakte alles stijf en houterig. Beeld en geluid moesten tegelijk worden opgenomen, en in één keer goed. Waar het er eerst ontspannen aan toeging in de studio, met regisseurs die aanwijzingen schreeuwden en een pianist die ‘mood music’ speelde voor de juiste stemming, daalde er nu een benauwende stilte neer: elke kuch kon honderden dollars kosten. Geluid had aanvankelijk bij elke opname drie camera’s nodig: voor een totaalshot, mediumshot en close-up. Om het geklapper van de camera’s te smoren, werden ze in grote kasten, of blimps, verstopt. Bewogen camera’s in stille film soepel over rails en op kranen, nu stonden ze als blokken beton op de studiovloer – hun revalidatie kostte een paar jaar. „Film maken is zo oneindig complex en zwaar geworden dat elke entertainment eruit geperst is”, klaagde filmkenner H.G. Wells.

Het was een ‘revolutie’ die eerst vooral achteruitgang bracht. Maar de gevolgen waren verreikend. In Hollywood was het bijltjesdag voor filmsterren terwijl mensen uit New York Los Angeles binnenstroomden: dialoogschrijvers, logopedisten, stemcoaches en toneelmensen die met stem wisten te werken: Broadway liep leeg.

Simultaanfilms

Geluid deed de leidende positie van Hollywood wereldwijd even wankelen: niet iedereen verstond Engels. Nationale filmindustrieën veerden op, zeker nadat Europese landen, het fascistische Italië voorop, projectie van Engelstalige films hadden verboden. Hollywood reageerde met simultaanfilms – in het Franse Joinville had Paramount een soort draaimolenstudio waar soms veertien versies van films scène voor scène door Engelse, Duitse, Frans en Spaanse acteurs werden opgenomen. Toen dat niet voldeed – het publiek wilde Hollywoodglamour, geen obscure acteurs van eigen bodem – raakten nasynchronisatie en ondertiteling in zwang. Alleen in India verloor Hollywood blijvend terrein. Muziek met eigen liedjes en dans bleek een gouden formule: Bollywood, de enorme filmindustrie van Bombay, was een kind van de geluidsfilm.

En de verlamming van de film bleek tijdelijk. Naarmate geluidstechniek vorderde, kwamen camera’s en acteurs in beweging. Dialogen werden messscherp, omgevingsgeluid bleek – met dank aan pioniers als Hitchcock – een extra dimensie toe te voegen: je kon dingen laten horen die je niet in beeld zag! De stemming sloeg om. De acceptatie ging niet zonder nostalgie, want nooit eerder was een kunstvorm zo snel in ongerede geraakt als de stille film. In dat opzicht is de komst van geluid een historisch unicum.

    • Coen van Zwol