Donald Duck als voorbeeld

Gijs Scholten van Aschat vertolkt als geen ander de hypocriete keurigheid van de weldenkende klasse. Daaronder broeit het van de verboden gevoelens. Een witte burger is ook maar een mens.

‘Doodsbang zijn ze. Voor alles, maar vooral voor jou”, zegt Jörgen Hofmeester tegen zijn mooie dochter Tirza. De vader verklaart haar de verlegenheid van de jongens in haar klas, maar eigenlijk spreekt hij over zichzelf. Doodsbang is hij als ze hem onder het avondeten vraagt wanneer ze nu eindelijk ontmaagd zal worden. De vader zwijgt en staart naar zijn bord, alsof daar de toekomst in geschreven staat. Wie de verfilming van de roman Tirza bekijkt, ziet op dat moment het hoofd van de vader, gespeeld door Gijs Scholten van Aschat. Een getekend gezicht, met twee verticale groeven tussen de wenkbrauwen, niet als gevolg van jaren hard labeur, maar door het eeuwige gepieker. De overbeschaafde Hofmeester gaat ten onder aan zijn controleneurose. Zelfs noemt hij het de „ziekte van de blanke middenklasse”. Het zijn de doodsangst en doodsdrift die geen andere uitweg vinden dan in nooit ophoudende zorgen.

Acteurs weten daar alles van. Aan het begin van zijn toneelloopbaan werd Gijs Scholten van Aschat voor aanvang van de voorstelling vaak overvallen door een verschrikkelijke podiumangst, een „zwart monster” dat hem naar eigen zeggen tot braken toe plaagde. Daar zijn de rimpels van gekomen op zijn karakteristieke gezicht dat, naast zijn superieure stem, zijn handelsmerk is geworden.

Het kost weinig moeite Gijs Scholten van Aschat, de zoon van een plaatselijke bankdirecteur, voor te stellen als bestuurlijke politicus. Zijn figuur, zijn houding, zijn beschaafde, diepe, wat nasale stem – hij is de knappe variant van de sociaal-democraat Job Cohen. Zijn rol in het toneelstuk en de film Cloaca (2002/2003) zal daar wel mee te maken hebben. Te midden van zijn Maastrichtse toneelvrienden Peter Blok, Pierre Bokma en Jaap Spijkers speelde Van Aschat een ambitieuze politicus die minister van Binnenlandse Zaken wil worden, maar uiteindelijk met Cultuur wordt opgescheept. Net als in Tirza is er in Cloaca sprake van een bloedmooie jonge dochter, eentje die het stiekem met de beste vriend van de vader doet. Die vader is gelukkig een minder pathologisch geval. Hij beleeft een moment van inzicht op zijn vijftigste verjaardag, als hij door vrienden getrakteerd wordt op prostitueebezoek. De toekomstige minister beseft in de peeskamer opeens dat hij een ‘nare man’ is geworden. Geen klootzak, geen schoft, nee, heel beschaafd, een „nare man”. Gijs Scholten van Aschat, in close-up, acteert dat heel levensecht. Met een verwrongen mond, afwisselend naar de grond en in de verte kijkend, zoekt hij naar een uitweg. Die hij vindt – met dank aan Maria Goos – in een fantastische zelfrechtvaardiging: „Is het dan zoveel beter om zacht te zijn?”

Vleesgeworden machtswellust

Inderdaad, in de politiek is hardheid gewenst. Dat liet Orkaters Richard III zien, waarin Scholten van Aschat de hoofdrol, de vleesgeworden machtwellust speelde. Hij stond er als hoekige, robuuste kerel op het podium. Mismaakt, met oprispingen en tics die zijn verrotte ziel verraadden, en hij mankte, meestal met zijn linkerbeen, maar was daarin niet heel consequent. Met Richard III schreef Shakespeare, net als met Hamlet, een stuk dat expliciet over theater gaat. In Richard III fungeert het spel niet om de waarheid op het spoor te komen, maar om te dreigen, te verleiden en te heersen. En dat laatste deed Scholten van Aschat beslist op de bühne, in de eerste plaats omdat hij verreweg de beste acteur op het podium was. Hij verbeeldde met zijn Richard alle mogelijke gedaanten die de duivel ook vandaag de dag nog kan aannemen. Hij was de dictator die een moord beveelt met de opluchting waarmee anderen een drol op het toiletporselein achterlaten, de CEO die zijn plannen opdringt aan zijn ondergeschikten door slechts degenen die meteen instemmen een blik waardig te gunnen, de puber die gaat stampvoeten als hij zijn zin niet krijgt, de bankier die opportunistisch berouw betoont zonder het woord ‘spijt’ in de mond te nemen. Want dat is uiteindelijk de meest voorkomende vorm van het kwaad: door de wil tot macht en aanzien naar niets en niemand willen luisteren behalve de eigen innerlijke stem. De duivel gelooft in het eigenbelang als een roeping.

In Richard III werden de toneeldialogen afgewisseld met songs van Tom Waits. Het was Gijs Scholten van Aschat zelf die zong. Hij viel dan even uit zijn rol, en speelde de rocker die acteert dat hij een monster is – denk aan knapen als Alice Cooper en James Hetfield – met zo’n rockersgrimas op het gezicht en het hoofd dat heen en weer gaat alsof men een dikke boomstam staat te zagen. Dat zijn duidelijk karikaturen van het kwaad, waar het echte gevaar eerder schuilt in de zoete kitsch, het moment dat de machtswellustelingen lief gaan doen. Daarom was het angstaanjagender toen Scholten van Aschat als een onvervalste crooner zong „I shoot the moon out of the sky, shoobadaba”. Dat ‘shoobadaba’, daar had Gijs Scholten van Aschat dit jaar wel de Louis d’Or voor verdiend.

Maar die prijs ging, terecht toch wel, naar Jacob Derwig, in zijn rol als überrationele wetenschapper Pavel in de voorstelling Kinderen van de zon, een stuk van Maxim Gorki. Gijs Scholten van Aschat speelde ook mee in die voorstelling, zijn eerste voor het All Stars-team van Toneelgroep Amsterdam. Hij had een belangrijke bijrol, die van de gedeprimeerde dierenarts Boris Tjepoernoi. Deze Boris is een man die al zijn illusies op een betere wereld heeft opgegeven, en slechts nog even hoop ontleent aan zijn verliefdheid op Lisa, de dochter van Pavel (gespeeld door een supernerdy Halina Reijn). Dat was meteen ook een van de mooiste scènes uit het stuk; als Boris, met zijn sikje, bakkenbaarden en een broek die minstens een decimeter te kort is, terugkomt van een mislukt aanzoek aan zijn geliefde Lisa, en achter haar over het claustrofobisch kleine woonkamerpodium loopt. Geen van beiden zegt een woord, maar het publiek kan de uitkomst aflezen aan Boris’ gezicht (onweer) en zijn stroperige slowmotion gang. Hier werd duidelijk wat Gijs Scholten van Aschat bedoelde, toen hij in een recent interview te kennen gaf stripfiguur Donald Duck als voorbeeld te zien. Zo zet je dus het cartooneske in om een stevig accent te leggen. Later maakte ook Jacob Derwig duidelijk dat het niet altijd Stanislavski hoeft te zijn waar je als toneelacteur de mosterd haalt. Zijn grote voorbeeld voor het kluchtige Kinderen van de zon heette André van Duin.

Goede bedoelingen

Een wonderlijke voorstelling was het in tijden van grove cultuurbezuinigingen. De absolute elite van het Nederlands toneel voerde onder regie van de op Amerika georiënteerde Ivo van Hove een prerevolutionair Russisch drama op over een kring van wetenschappers, ambtenaren en kunstenaars die ondanks hun goede bedoelingen belegerd en bestormd worden door het woedende volk. Dat alles uitgevoerd in kekke boerenpummelpakjes. Waarom het volk kwaad is, dat wordt niet helemaal duidelijk, maar volgens Lisa, die spreekt tot haar vader en zijn vrienden, is het zo dat de haat onder de mensen buiten is gegroeid „omdat jullie je van hen af hebben gekeerd”. Dat zou vandaag een populistische redenering heten, een argumentatie waarin met name verschillende politieke strategen geloven. En een oordeel dat het laatste jaar nogal eens over de kunst is geveld. Deze voorstelling leek echter te suggereren dat de woedende massa, gepersonifieerd door de vrouwenmepper Jegor (nee, geen verwijzing naar Dion Graus), sowieso zou zijn gekomen om haar gelijk te halen, uit pure en blinde rancune. De door Scholten van Aschat gespeelde Boris beseft dat als enige. Hij verwijt Pavel, die mensen beschouwt als kinderen van de zon, een blind vooruitgangsgeloof. Een kwalijk type als Jegor, vindt hij, kan moeilijk een kind van de zon worden genoemd. Had de bevoorrechte groep niet gewoon wat ‘realistischer’ moeten zijn, zoals de ontgoochelde Boris? Was er met wat gezond cynisme wellicht een stuk minder verloren gegaan?

Hier raakt de thematiek van Ivo van Hoves Kinderen van de zon aan een ander drama, namelijk Dogville van Lars von Trier. Met die film had Gijs Scholten van Aschat zijn internationale doorbraak kunnen beleven, ware het niet dat hij zijn verplichtingen wilde nakomen voor zijn eerste stuk bij Orkater. Van die keuze heeft hij nooit spijt gehad, vertelde de acteur in meerdere interviews; kennelijk doet het nog altijd een beetje pijn. Dogville gaat verder waar Kinderen van de zon ophoudt. Hier laat de elite zich niet afslachten, en slaat zij uiteindelijk terug. De elite, dat is dan de gangsterdochter Grace, die asiel vindt in het dorpje Dogville, op de vlucht voor haar vader. Samen met de idealistische Tom probeert ze de gemeenschap dorpelingen, allen kinderen van de zon, op te stoten in de vaart der volkeren. Maar als er slechte tijden aanbreken, wordt Grace al snel de zondebok. Ze wordt vernederd, tot slaaf gemaakt en verkracht. Einde van het emancipatieverhaal. En als de kwaadaardige vader zijn dochter Grace aan het slot terugvindt, stemt ze al te graag in met het uitmoorden van heel het dorp. Als kijker ga je mee in dat oordeel, je denkt inderdaad: maak al die domme klootzakken maar af. Waarmee je je overgeeft aan wat natuurlijk de ware ziekte van de blanke middenklasse is. De boze buitenwereld de schuld geven als de eigen oververhitte idealen uitdoven na een eerste contact met de harde werkelijkheid.