De koning der louche huisbazen

Terwijl ik met twee vriendinnen in een café zit, komt het gesprek op de uiterst interessante vraag: wie is de meest criminele persoon die je kent? Allebei antwoorden ze resoluut: „Dat is makkelijk. Mijn huisbaas.”

Haast al mijn vrienden die in Amsterdam wonen, hebben wel een schimmig huizenverhaal. Het is bijna zoals een reis naar India maken, of een keer over je eigen schoenen heen kotsen: een fase op weg naar een volwassen leven.

Vriendin 1 woont al vier jaar in een stoffig studentenhuis dat met plakband bij elkaar gehouden wordt. Er zit asbest in de muren en de kans dat ze een plotselinge brand zal overleven is ongeveer 0,0034.

Haar huisbaas, een plat pratende Amsterdammer, is de koning der louche huizenbezitters. Hij vertelt vaak trots dat hij niet werkt, vijf auto’s heeft en een vakantiehuis in Spanje onderhoudt – allemaal betaald van hun huur. Bij een klacht zegt hij dingen als: „Is de kachel kapot? Dan neem je maar een vriendje om je warm te houden. Je hebt toch geen hazenlip ofzo?” Toen een aantal huurders naar de Huurcommissie wilde stappen, zei hij: „Dat kun je doen. Ik denk dat ik dan even de toiletpot meeneem, voor een langdurige renovatie. Wel lastig: waar ga je dan pissen?” En toen een van haar huisgenoten een dag te laat was met haar huur, was na een bezoek van de huisbaas haar laptop verdwenen. „Waar is mijn laptop?” sms’te zij. „Waar is de huur?” sms’te hij terug. „Die heb ik overgemaakt”, antwoordde ze. „Goed zo”, kreeg ze terug. „En je laptop zag ik helemaal onbeheerd in je kamer liggen, dus die heb ik even onder je matras gelegd. Voor je eigen bestwil, hoor.”

Vriendin 2 was na een tijd zonder kamer zo wanhopig dat ze zelf de vastgoedonderwereld opzocht, en een tussenpersoon inschakelde. Deze tussenpersoon was Europees kampioen thaiboksen geweest, en iedere keer als ze contact moesten hebben, stond hij zo op haar voicemail: „Goedendag, bel me morgen tussen twaalf over vier en tweeëntwintig over vier. Einde bericht.”

Zijn bemiddeling hield in dat hij bij verscheidene wachtlijsten voorrang kon regelen. In ruil moest ze hem 5.000 euro sleutelgeld betalen. Uiteindelijk beloofde hij haar van alles, en gebeurde er niets: ze heeft met een doodsangst in haar benen het geld weer teruggeëist. Wonderbaarlijk genoeg lukte dat: hij hield slechts 200 euro achter, voor de moeite.

En ook ik heb ervaring met een twijfelachtige huisbaas: een man die me in het atelier naast zijn winkel liet wonen. Tot het moment dat hij me weg wilde hebben: iedere ochtend zette hij om zeven uur loeiharde muziek in zijn winkel op, waarna hij me belde om te vertellen dat hij de afscheidingsmuur eruit wilde slopen – om bij me in bed te komen liggen.

Vorige week kondigde minister Donner aan voor meer studentenwoningen te gaan zorgen. Een puik plan – zodat de titel van ‘meest criminele persoon in een meisjesleven’ gewoon weer naar duistere ex-vriendjes kan gaan.

Renske de Greef