Cruyff Court

Johan Cruijff legt uit waarom hij geen racist kan zijn: „Als je 120 trapveldjes in Nederland aanlegt voor kinderen, zitten daar een heleboel allochtonen bij. We leven nu eenmaal in een multiculturele samenleving.” Logisch.

De trapveldjes dragen zijn naam, Cruyff Court, en staan vaak in ehm, zwarte wijken. De nieuwste van deze veldjes wordt pas volgende week woensdag officieel in gebruik genomen, maar er wordt nu al op gevoetbald. Locatie: Egoliplein, in ehm, de Bijlmer.

Vijf jongens uit groep acht trappen op woensdagmiddag een balletje op het kakelverse Cruyff Court: Shariq (11), Gabriël (11), Ravi (12), Shivanand (11) en Quincy (11).

Shivanand: „Ja, ik vond het wel gemeen van Cruijff om zoiets tegen Edgar Davids te zeggen.” Ravi: „Maar ik vind Cruijff nog steeds wel leuk, hoor.” Quincy, plechtig: „Racisme hoort niet thuis in het voetbal.”

En dan word ik weggekeken. Ze willen ballen, over het kleinzielig gedoe in de bestuurskamers van hun favoriete voetbalclub zijn ze heel snel uitgepraat. Dat laten ze wel over aan ons, pers, borreltafelgasten en alle anderen met te stramme botten om zelf nog te voetballen.

Aan het hek om het veldje hangt een bord met daarop de „14 regels van Johan Cruijff”. Regel 3. Respect: „Heb respect voor de ander.” Regel 4. Integratie: „Betrek ook anderen bij jouw activiteiten.”

Op een ander bord staan de huisregels voor het Cruyff Court vermeld. Een van de raadzame regels: „Schreeuw niet, maar praat met elkaar.”

Als er nog drie buurjongens het veld opkomen, zijn er genoeg voetballers om een partijtje over het hele veld te spelen. Drie tegen drie, en elk team een keeper. Meteen na de eerste trap klinkt de raadselachtige voetbaltaal voor ingewijden. „Pak je mannetje!” „Leg ’m breed!”

Regel 4 van het Cruyff Court wordt niet helemaal naar de letter nageleefd. Eén team bestaat uit zwarte jongens, het andere team uit Aziatische jongens. Maar niemand die een tegenspeler iets racistisch toeroept. Wel wordt flink op elkaar gescholden. Gabriel en Ravi hebben het het zwaarst te verduren. Gabriel omdat hij elke kans op een doelpunt verprutst, Ravi omdat het een dikkerdje is dat het snelle spel niet altijd kan bijbenen.

Ze duwen elkaar in de hekken en lachen de ongelukkige die door de benen wordt gespeeld (Ravi) ongenadig hard uit. „Poorten”, zou Cruijff dit vernederende voetbalkunstje noemen. Edgar Davids zou het eigentijdsere „panna” gebruiken.

„Achter die bal aan, vetzak!” klinkt het.

En dat terwijl een van de huisregels de voetballers vraagt om het vooral „gezellig” te houden. Maar wie weet, misschien is dit ruwe spel juist wel de logische interpretatie van deze regel. Hij is per slot van rekening door Johan Cruijff opgesteld.