Bleker schuift de megastal af

In 2010 zetten 33.000 Nederlanders hun handtekening tegen de schaalvergroting van de intensieve veehouderij. Twee commissies hebben vastgesteld dat de maatschappelijke weerstand tegen intensieve veehouderij in Nederland zo groot is dat die geen toekomst meer heeft. Economisch belang legt het af tegen de bedreiging van de volksgezondheid, milieu en landschap en tegen aantasting van dierenwelzijn.

Nu schrijft staatssecretaris Bleker (Landbouw en Innovatie, CDA) dat hij afziet van een wettelijke begrenzing van de aantallen dieren in en de omvang van de megastallen. De keuze voor duurzame productie is in de veehouderij niet te vermijden, stelt hij. Maar Bleker, die graag poseert als boer met de boeren, wil niet de staatssecretaris zijn die de megastal de voet dwars zet.

Hij wuift megastallen weg als een detail dat geen ingrijpen behoeft. Ze zijn er bijna niet, observeert hij, dus wat zal hij ingrijpen. Liever maakt hij zich sterk voor de romantiek van „het gezins- en familiebedrijf”. Verdwijnt dat, dan „verliezen we iets heel essentieels”, zo schrijft hij. Wat dat heel essentiële is, wordt overgelaten aan het nostalgisch vermogen van de lezer.

De realiteit droomt niet mee. Bleker vindt enerzijds „ongebreidelde groei van veehouderijbedrijven niet wenselijk” en bereidt wettelijke maatregelen voor die volksgezondheid en ethische normen waarborgen. Anderzijds schuift hij de beslissing over de intensieve veehouderij door naar de provincies en gemeenten ter plekke.

Provinciale besturen zitten dichter bij de veehoudende bedrijven en zijn gevoelig voor locale economische argumenten. Ze zijn vrij van de landelijke strategie en planning waar het kabinet rekening mee heeft te houden. Is het aan hen megabedrijven toe te staan, dan hebben ze weinig weerwoord. Een effect zal zijn dat juist de kleinere ‘essentiële’ bedrijven van Bleker het nog zwaarder krijgen dan ze het al hebben.

Een megastal voor varkens telt minimaal 12.500 mestvarkens of 2.000 zeugen. Bij pluimvee gaat het om ten minste 185.000 legkippen of 360.000 vleeskuikens. Zo groot zullen lang niet alle bedrijven willen of kunnen worden. Maar willen zij overleven in de schaduw van de enorme bedrijven, dan zullen zij richting ‘mega’ gaan, op ambachtelijke wijze en met de hele familie.

De inrichting van mega- en semi-megastallen wordt steeds beter. Het milieu wordt gespaard, aan dierenwelzijn wordt gewerkt. Maar megastal betekent megavervoer. Er wordt gefokt voor de export, en het vlees wordt levend verplaatst. Het transport is niet verbeterd. Meer grote bedrijven betekent meer dieren die honderden kilometers ver lijden.

En het landschap? Dat zet Bleker in zijn brief buitenspel: wettelijk ingrijpen „staat los van de vraag” of megastallen in het landschap passen.