Renate Rubinstein

Vandaag is het 21 jaar geleden dat Renate Rubinstein op 61-jarige leeftijd stierf. Zij is als schrijfster nog niet vergeten, zoals ook blijkt uit De dagen, een bescheiden bloemlezing van haar columns, gekoppeld aan tekeningen van Peter van Straaten, die onlangs verscheen.

Meestal zijn het haar thematische boeken (over echtscheiding, haar verhouding met Simon Carmiggelt, haar ziekte) die herdrukt worden. En terecht, want het zijn nog altijd voortreffelijke boeken, ook voor jongere generaties goed leesbaar. Integrale herdruk van haar columnboeken ligt minder voor de hand. Ze zijn in de jaren negentig opgenomen in het Verzameld Werk, dat echter alleen nog antiquarisch verkrijgbaar is, en ze lijken gedateerd. Ik zeg met nadruk: lijken.

In De dagen zijn 41 columns van tijdloze aard opgenomen; het merendeel is afkomstig uit eerdere bundels. Mooie, interessante columns, geschikt als eerste kennismaking met haar werk. Maar afgelopen zomer kwam ik tot de ontdekking dat je ook haar oude columnbundels – voor een belangrijk deel gevuld met zogenaamd tijdgebonden werk – nog steeds met plezier kunt lezen.

Van alle dode columnisten is zij voor mij de meest levende en leesbare gebleven. Dat komt door haar parlando-achtige stijl – losjes, springerig – en het gemak waarmee ze juist ook de ‘tijdgebonden’ stukken dankzij persoonlijke bespiegelingen naar een tijdloos niveau tilt.

Ik las Overgangscursus, de laatste verzamelbundel, die in het jaar van haar dood verscheen. Het boek bevat 79 columns van een verbazingwekkende variëteit. Het gaat over Chamberlain, Havel, de Koude Oorlog – de politiek dus – maar ook over taboes in modern Nederland, de kwestie ‘monarchie of republiek?’, integratie van immigranten, schrijvers als Wolkers, Harmsen van Beek en Mutsaers en er is uiteraard een deel gewijd aan het onderwerp dat haar misschien wel het meest interesseerde: de liefde. Want zij schreef zowel over ‘kwesties’ als over haar privéleven.

Bij geen van die onderwerpen was ze te beroerd om een ferm, liefst uitdagend standpunt in te nemen – vaak met een onverwachte conclusie, voor haar dé voorwaarde voor een goede column. Ze schreef vooral voor Vrij Nederland, maar dat was voor haar geen reden links te sparen – integendeel. Ik kan me nog goed herinneren hoe een deel van de Vrij Nederland-redactie knarsetandend op haar columns reageerde. Over de toekomst van de PvdA had ze toen al grote twijfels: „Wat is er in godsnaam links aan de PvdA?” Aan rechts kon ze zich ook ergeren, maar haar hang naar tegendraadsheid bracht haar vaker tegen links in het geweer.

Aan zelfvertrouwen had ze geen gebrek, zoals mag blijken uit haar opmerking dat ze als columniste alleen spijt kreeg van haar afkeuring van Claus als prins. „Ik koester die spijt nog steeds als eerlijk gezegd het enige voorbeeld van zijn soort, want ik herinner me niet dat ik verder ooit iets gevonden heb waar ik niet hetzelfde over ben blijven denken. Die spijt had ik omdat Claus eigenlijk veel aardiger bleek dan je verwachten zou.”

Dit leidt onvermijdelijk naar Weinreb, wat mij betreft de enige smet op haar werk. Het is jammer dat ze haar steun aan deze dubieuze figuur uit de Tweede Wereldoorlog nooit heeft ingetrokken, maar welke columnist is zonder missers?

Er blijft in het geval van Renate Rubinstein genoeg over. Genoeg om in allerlei heruitgaven zo lang mogelijk te koesteren.