Kredietbeoordelaar noopt Wenen tot actie

Na de val van de Muur veroverden Oostenrijkse banken sterke posities in Oost-Europa. De crisis brengt de risico’s daarvan voor het thuisland aan het licht.

De goldrush van Oostenrijkse banken in de oostelijke buurlanden is deze week met een klap tot stilstand gekomen. De aandelenkoersen van Erste Bank en Raiffeisen zakten gisteren fors weg, nadat de Oostenrijkse centrale bank bekendmaakte dat de kredietverlening in Midden- en Oost-Europa aan banden wordt gelegd.

Westerse banken waren er na de val van het communisme als de kippen bij. Overal achter het IJszeren Gordijn openden ze begin jaren negentig filialen om een een plaats te verwerven in de jonge markteconomieën die van de bodem moesten worden opgebouwd. Eerst alleen met leningen voor het zakelijk verkeer, later ook met lucratieve aanbiedingen voor particulieren. Om een nieuwe auto aan te schaffen, of zelfs een huis te kopen.

De Oostenrijkers liepen bij deze ontwikkeling voorop. Het blauwrode logo van de Erste Bank en het geelzwarte van Raiffeisen kregen een vaste plaats in het straatbeeld van de nieuwe consumptiemaatschappijen.

Afgelopen maandag trapten de Oostenrijkse centrale bank en de financiële toezichthouder hard op de rem. Het geld dat Oostenrijkse banken in Midden- en Oost-Europa hebben uitstaan, blijkt een bedreiging te zijn geworden voor de financiële stabiliteit van het land.

De dochters van Oostenrijkse banken in de regio mogen nog maar 110 procent van het spaargeld uitlenen dat in het betreffende land is ingelegd. Dat is fors minder dan ze deden. Volgens gegevens van het persbureau Bloomberg leende Erste Bank in Hongarije tweemaal zoveel geld uit als door spaarders aan de bank was toevertrouwd. In Roemenië ligt het percentage op 140 en in Kroatië 150. Raiffeisen heeft in Oekraïne 150 procent uitstaan en in Roemenië 130 procent.

De dochters hebben hun Oostenrijkse moeders kwetsbaar gemaakt. In totaal hebben ze rond 200 miljard euro uitstaan in Midden- en Oost-Europa. Een deel daarvan moet als verloren worden beschouwd, omdat de klanten van die banken door de economische crisis niet meer kunnen aflossen. Erste Bank heeft in oktober om deze reden al 939 miljoen euro moeten afschrijven.

Ook de omstreden maatregel van de Hongaarse regering om leningen in buitenlandse valuta af te lossen tegen een verplicht lage wisselkoers, heeft bijgedragen tot onzekerheid rond de Oostenrijkse banken.

Intussen is de rente op Oostenrijkse staatsobligaties met een looptijd van tien jaar in drie maanden tijd met een vol procentpunt opgelopen tot 3,56.

Het besluit van de centrale bank in Wenen om de kredietverstrekking aan banden te leggen, kwam enkele dagen nadat kredietbeoordelaar Moody’s had laten weten zich zorgen te maken over de positie van de dochters in Midden- en Oost-Europa.

In Brussel klinken geluiden dat het Oostenrijkse besluit een vorm van protectionisme is en de regels van de Europese interne markt aantast. Maar dat is volgens Ivo Arnold, hoogleraar economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, niet het geval is. De Oostenrijkse banken mogen nog blijven lenen, maar de dochterbanken moeten in het land waarin ze opereren meer ophalen, zegt hij desgevraagd. „Dat is niet tegen de Europese regels.”

Volgens Arnold had het speculatief kapitaal richting Oost-Europa al tien jaar geleden gereguleerd moeten worden om het bankwezen beter te beschermen. Nu konden de westerse banken, en de Oostenrijkse voorop, te makkelijk de zeepbellen in de markt volgen.

Oostenrijks stap komt, midden in de crisis, op een ongelukkig moment. „Landen als Hongarije en Roemenië zullen voor hun groei nog afhankelijker worden van binnenlandse bezuinigingen”, aldus Arnold.