Geluid was massagraf van filmreputaties

The Artist gaat over winnaars en verliezers van de geluidsfilm. Geluid was een bliksemsnelle revolutie met veel ingrijpende gevolgen. En net als 3D eerst vooral een achteruitgang: ‘Onzegbaar triest en ontmoedigend.’

De overgang van zwart-wit naar kleur, van celluloid naar digitaal, van 2D naar 3D: het valt allemaal in het niet bij de razendsnelle, ingrijpende overgang van zwijgende film naar geluid. Twee jaar nadat geluidsfilm The Jazz Singer in 1927 Amerika had veroverd, maakte Hollywood nauwelijks nog stille films.

De geluidsfilm was een massagraf van reputaties en carrières. Aan de NRC lag het niet: deze krant deed alles om het tegen te houden. In 1929, toen geluid in Nederland arriveerde, liep de filmredactie – Menno ter Braak en Henrik Scholte – er elke week tegen te hoop: „een verontreiniging van de filmkunst, en dus uit artistiek oogpunt een stap achteruit”. Hun houding was zo irritant, dat de bioscopen een advertentieboycot tegen NRC instelden.

Alleen stond de krant niet: ook criticus J.J. Jordaan ervoer zijn eerste geluidsfilm, Broadway Melody, als „onzegbaar triest en ontmoedigend”. Was de essentie van film niet juist de suggestieve stilte? Voor verbaal drama had je toch toneel? Wie film niet louter als volksamusement, maar ook als kunstvorm waardeerde, moest het wel afwijzen. Zoals filmkenners meestal weinig zien in innovaties, of het nu om geluid, kleur of 3D gaat.

Toch heeft stille film nooit bestaan. Eerder was film tot 1929 een soort halffabricaat, zoals filmhistoricus Karel Dibbets het formuleert. Bioscopen zorgden voor geluid: een pianist, een kamerorkest, een orgel met geluidseffecten of zelfs complete symfonieorkesten. Explicateurs en variétéacts tussendoor completeerden de circussfeer: bioscopen concurreerden onderling eerder met toegevoegde audio dan met films. Ook de avant-garde bekeek films niet in stilte: in Rotterdam werd de proletariërsfilm Staking (Stachka) van Eisenstein in 1925 vanuit de orkestbak begeleid door piano, straatmuzikant met harmonica en geknal van voorhamers, kettingen en boormachines.

Gimmicktechnologie

Geluidsfilm was een eindproduct dat overal hetzelfde oogde en klonk. De gevolgen waren groot. Vaudevilletheaters, wier beste artiesten nu op het witte doek waren te bewonderen, werden opgedoekt, alsmede bioscooporkesten die in Amerika werk bood aan de helft van de muzikanten – radio bleek gelukkig een toevluchtoord. Hollywood nam de in New York gevestigde bladmuziekindustrie over om zich van een gestage aanvoer van deuntjes te verzekeren, die voortaan wereldwijde hits werden via film of het eveneens nieuwe medium radio. De bioscoop ging met kranten concurreren als nieuwbron. En Hollywood schiep, geprikkeld door hoge winsten en externe dreiging, een soort filmkartel: het studiosysteem.

Geluidsfilm was aanvankelijk een inferieur eindproduct. Zoals stille ster George Valentin in The Artist de slappe lach krijgt bij zijn eerste geluidsfilm, zo reageerden in 1927 velen. Met zoveel nadelen moest het wel een korte rage zijn, deze gimmicktechnologie die al vaker was mislukt – het was zoals men nu over 3D praat. Al voor 1900 was er namelijk al geëxperimenteerd met geluidsfilm; toen uitvinder Thomas Alva Edison het in 1913 probeerde uit te baten met Kinetophone kwam zo eens per jaar een nieuw systeem op de markt. Ze schoten tekort doordat ze beeld en geluid onvoldoende synchroniseerden en goede versterkers en boxen ontbraken om geluid over grote zalen te verspreiden. Maar in de jaren twintig vorderde de techniek zo snel dat twee kleinere Hollywoodstudio’s er brood inzagen: Warner Bros en Fox. Warner met Vitaphone, waarbij het geluid van een aparte plaat kwam, en Fox met Movietone, dat geluid omzette in licht en in een strip naast de film etste. De andere studio’s keken nog even de kat uit de boom.

Het publiek bleek er ditmaal klaar voor, wellicht omdat het gewend was geraakt aan geluid uit blik in de vorm van radio en grammofoonplaat. En misschien was het ook de honger naar het nieuwe, naar ‘The Next Big Thing’. Toen Warner Bros in 1927 The Jazz Singer uitbracht, waarin entertainer Al Jolson zeven liedjes zong en de legendarische zin „you ain’t heard nothing yet, folks” sprak, bleek het een ongehoorde filmhit. Mochten andere studio’s hopen dat het alsnog overwaaide, dan bracht de ‘talkie’ The Lights of New York ze in juli 1928 op andere gedachten. Juist omdat het een waardeloze film was, die met een budget van 23.000 dollar 1,2 miljoen dollar opbracht.

Bijltjesdag in Hollywood

Overal volgden taferelen zoals in musical Singin’ in the Rain (1952): opnames die plotseling werden stilgelegd om de studio te verbouwen tot ‘sound stage’. En zoals filmbedrijven vorig jaar meeliften op de lucratieve 3D-rage door 2D-films digitaal op te blazen tot inferieur 3D, zo waren er in 1928 de ‘goats glands', stille films die pseudogeluidsfilms werden door hier en daar een scène met dialoog, muziek of geluidseffecten in te voegen.

Voor echte liefhebbers was het een achteruitgang. De stille film had rond 1928 met meesterwerken als Murnaus Sunrise en King Vidors The Crowd een zekere perfectie bereikt. Geluid maakte alles stijf en houterig. Beeld en geluid moesten tegelijk worden opgenomen, en in één keer goed. In geluidsdichte ‘sound stages’ voerde een orkest daarom achter de coulissen live muziek uit terwijl de acteurs hun scènes speelden. Ze konden weinig bewegen om hoorbaar te zijn voor de lompe, ongerichte microfoons die achter vazen of struikgewas waren verborgen. Waar het eerst ontspannen toeging in de studio, met regisseurs die aanwijzingen schreeuwden en een pianist die ‘mood music’ speelde voor de juiste stemming, daalde er nu een benauwende stilte neer: elke kuch kon honderden dollars kosten. De geluidsingenieur legde de studio dictatoriaal zijn wil op.

Geluid maakte aanvankelijk bij elke opname drie camera’s nodig: voor een totaalshot, mediumshot en close-up. Om het geklapper van de camera’s te smoren, werden ze in grote kasten, of blimps, verstopt. Bewogen camera’s in stille film soepel over rails en op kranen, nu stonden ze als blokken beton op de studiovloer – hun revalidatie kostte een paar jaar. „Film maken is zo oneindig complex en zwaar geworden dat elke entertainment eruit geperst is”, klaagde filmkenner H.G. Wells.

Ook daarin doet de komst van het geluid aan 3D denken, een ‘revolutie’ die eerst vooral achteruitgang bracht. Maar de gevolgen waren verreikend. In Hollywood was het bijltjesdag voor filmsterren terwijl nieuwe mensen uit New York Los Angeles binnenstroomden. Titelkaartschrijvers maakten plaats voor dialoogschrijvers: elke journalist of toneelschrijver was welkom. Naast logopedisten en stemcoaches was er in Hollywood een onstilbare vraag naar toneelmensen die met stem wisten te werken: Broadway liep leeg. Gecombineerd met statische techniek leidde dat tot toneelregistraties: babbelen zonder beweging.

Simultaanfilms

Geluid deed de leidende positie van Hollywood wereldwijd even wankelen: niet iedereen verstond Engels. Nationale filmindustrieën veerden op, zeker nadat Europese landen, het fascistische Italië voorop, projectie van Engelstalige film hadden verboden. Hollywood reageerde met simultaanfilms – in het Franse Joinville had Paramount een soort draaimolenstudio waar soms veertien versies van films scène voor scène door Engelse, Duitse, Frans en Spaanse acteurs werden opgenomen. Toen dat niet voldeed – het publiek wilde Hollywoodglamour, geen obscure acteurs van eigen bodem – raakten nasynchronisatie en ondertiteling in zwang. Alleen in India verloor Hollywood blijvend terrein. Muziek met eigen liedjes en dans bleek een gouden formule: Bollywood, de enorme filmindustrie van Bombay, was een kind van de geluidfilm.

En de verlamming van de film bleek tijdelijk. Naarmate geluidstechniek – mixen op meerdere sporen, nadubben, hengelmicrofoons – vorderde, kwamen camera’s en acteurs in beweging. Dialogen werden messscherp, omgevingsgeluid bleek – met dank aan pioniers als Hitchcock – een extra dimensie toe te voegen: je kon dingen laten horen die je niet in beeld zag! De stemming sloeg om: in NRC zag Menno ter Braak al in januari 1930 in Atlantic het geluid „geraffineerd” van het doek komen, een opluchting „na al het gezwets en gebabbel van stupide talkiemonden”. De acceptatie ging niet zonder nostalgie, want nooit eerder was een kunstvorm zo snel in ongerede geraakt als de stille film. In dat opzicht is de komst van geluid een historisch unicum.