Een invasie in Hollywood

Het was een jaar van paniek in Hollywood, 1928. De geluidsfilm was niet te stuiten. Wat te doen als je een piepstem of een raar accent had?

De sterren van de zwijgende film ontvingen de geluidsfilms eerst badinerend, daarna met groeiend afgrijzen en paniek. Toen de studio’s in 1928 overschakelden op geluid, vond latente wrok tegen verwende filmsterren in hun villa’s met zwembad een uitweg. Prima donna's werden extra kritisch beluisterd op hun uur van de waarheid: de geluidstest. Want alle acteurs uit de stille film moesten zo’n test ondergaan - heel vernederend.

De eerste microfoons waren niet erg gevoelig, waardoor velen een blikkerig of lachwekkend hoog stemmetje kregen. Hoe lichter je stem, hoe vervelender. Clark Gable haalde het, want hij had een krachtige en goed verstaanbare stem. Zijn donkere timbre paste bovendien goed bij zijn mannelijke imago. Na de test van Wallace Beery riep men opgetogen: „Beery’s got a voice!” Voor anderen was het einde oefening.

De regels waren niet duidelijk. Zo kon een acteur het doorgaans schudden met een raar accent, of ze moest Greta Garbo heten. Dan was het Zweedse accent opeens exotisch, helemaal passend bij het air van exotische wuftheid die rond haar hing. Ook Marlene Dietrich ervoer dat haar Duitse, rokerige stem sexy klonk toen Josef von Sternberg haar naar Amerika haalde.

Daar tegenover stond een legioen buitenlandse acteurs die het niet haalde. Een van hen was Anny Ondra, wier vette Tsjechische accent voor een probleem zorgde toen Alfred Hitchcocks Blackmail (1929) op verzoek van de studiobazen een geluidsfilm moest worden. Omdat dubben in postproductie technisch nog niet mogelijk was, stond actrice Joan Barry op de set, net buiten het zicht van de camera, en sprak Ondra’s teksten in terwijl Ondra playbackte. Na het debacle van Blackmail speelde Ondra alleen nog in Duitstalige films. De grappige geluidstest die Hitchcock met haar maakte is op YouTube te vinden.

Uitspraak, verstaanbaarheid, dictie en een natuurlijk ritme werden belangrijk, dus was het zaak ervaren toneelregisseurs en theateracteurs in te schakelen. Dit leidde tot de Broadwayinvasie: menig New Yorkse acteur of regisseur verhuisde naar Hollywood, waar ze beter betaalden dan aan de Oostkust. Een van de theaterregisseurs die naar Hollywood trok, was John Cromwell, de vader van acteur James Cromwell die in The Artist de rol van loyale butler van George Valentin speelt.

In het kielzog van theaterregisseurs als George Cukor en Rouben Mamoulian trokken geschoolde dansers en zangers naar Los Angeles, want de geluidsfilm leidde logischerwijs tot een belangrijk nieuw genre: de filmmusical. Eerst werden bestaande revues verfilmd, later volgden Hollywooduitvindingen als de ‘backstage’-musical en de bijzonder filmische, choreografische hoogstandjes van Busby Berkeley en het duo Astaire & Rogers.

Hoewel de gangsterfilm al bestond, kreeg het genre een nieuwe impuls door geluid. Toeschouwers waren vooral onder de indruk van het ratelende geluid van machinegeweren dat te horen was in bijvoorbeeld Public Enemy (1931) en Scarface (1932). Begin jaren dertig raakte slapstick uit en de screwball comedy in. Hierin werd de strijd der seksen op zeer verbale wijze gevoerd, met pittige dialogen, scherpe grappen en veel ironie. Voer voor een nieuwe generatie scenaristen, die fatsoenlijke dialogen konden bedenken.

Ook nieuw waren componisten die filmmuziek moesten schrijven die aan de filmstrook werd toegevoegd. Maar de grootste winnaars waren de acteurs die van Broadway naar Hollywood kwamen en een moderner type acteren inluidden: meer naturel, met minder theatrale gebaren en een flexibel inzetbare, getrainde stem. Onder hen Katharine Hepburn, Bette Davis, Joan Crawford, Barbara Stanwyck, Fredric March en Paul Muni. In april 1930 kopte vakblad Photoplay: „Are the Stage Actors Stealing the Screen?” Ja, dat deden ze.

André Waardenburg