Vakbonden verhinderen veranderingen

Europa zoekt de oplossing van de eurocrisis deels in hervorming van de arbeidsmarkt. De vakbeweging ligt vaak dwars. „In heel Europa zijn vakbonden conservatiever geworden”, zegt Jelle Visser, hoogleraar sociologie van arbeid en organisatie.

Jelle Visser is met pensioen, maar hij is van plan om nog minstens tien jaar door te werken. Visser nam in oktober afscheid als hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Direct daarna kwam hij terug als emeritus hoogleraar aan dezelfde universiteit. Het grootste voordeel van zijn zogenaamde pensioen is dat hij niet meer hoeft te vergaderen, lacht Visser. „Ik heb nu weer de vrijheid om leuke onderzoeken te doen.”

Visser mocht van de universiteit zijn eigen afscheidscadeau uitkiezen. Het werd een seminar. Uit heel Europa werden hoogleraren sociologie ingevlogen – mannen en vrouwen uit Florence, Mannheim, Bratislava, Warwick, die Visser kent en hoogacht. Het leek hem wel mooi als ze allemaal dezelfde vraag zouden beantwoorden. Namelijk: ‘Zit er nog toekomst in de vakbeweging?’

„Nou, dat waren tamelijk sombere verhalen”, zegt Visser. Volgens de geleerden heeft de vakbeweging niet zoveel toekomst. In de zaal zaten vakbondsbestuurders de grafrede aan te horen. „Die moesten schoorvoetend erkennen dat de heren wel een punt hadden.”

Wat is uw antwoord op uw eigen vraag, heeft de vakbeweging toekomst?

Jelle Visser: „Er zal altijd een tegenmacht blijven, daar ben ik van overtuigd. Maar dat zal een andere tegenmacht zijn dan de bonden, die we geërfd hebben uit de negentiende eeuw. De vakbeweging zal bestaan uit momentopnames van protest, die via internet en Twitter worden georganiseerd. Uiteraard is er altijd een partij nodig die met werkgevers onderhandelt over de collectieve arbeidsovereenkomst, de cao. Maar dat hoeft de vakbond niet te zijn. Dat kan ook de ondernemingsraad doen, of een ander, door werknemers gekozen orgaan.”

Is de cao niet uit de tijd, gezien het grote aantal zelfstandigen zonder personeel dat zich aan de cao onttrekt?

„Nee, acht van de tien werknemers in Nederland vallen onder een cao, in Europa is dat zeven op tien. Werkgevers onderhandelen liever niet met iedere individuele werknemer over zijn arbeidsvoorwaarden. Een cao is handiger. In de toekomst zullen cao’s wel minder afspraken bevatten, ze krijgen een minimumkarakter. Met veel keuzevrijheid. Wil een werknemer salaris ruilen tegen vrije tijd? Dan kan dat. We moeten het aantal zelfstandigen ook niet overdrijven. Op een beroepsbevolking van 8,5 miljoen mensen zijn 1,2 miljoen zzp’ers, zelfstandigen zonder personeel. De rest werkt gewoon voor een baas.”

Waarom heeft de vakbeweging geen toekomst?

„Een beweging moet een groot verhaal hebben en dat hebben de bonden niet. Het zijn clubs geworden die bestaande belangen beschermen, vooral van oudere werknemers. Historisch waren de vakbonden aanjagers van verandering, in de verzorgingsstaat en het arbeidsrecht. Nu verhinderen ze verandering. In heel Europa zijn vakbonden de laatste tien jaar conservatiever geworden. De leuke leiders uit de jaren negentig, die openstonden voor verandering en voor Europa, zijn verdwenen. Sinds de eurocrisis trekken de bonden zich terug in eigen land. De solidariteit met arbeiders in bijvoorbeeld Italië en Spanje is vrijwel verdwenen.”

Worden de bonden machtiger in een crisis?

„Nee. Als de werkloosheid stijgt, zoals nu in Europa, dan worden de bonden direct minder machtig. Ze verliezen leden. En ze staan zwak tegenover bedrijven en overheden die zeggen: nu even geen loonsverhoging. De bonden zullen alleen maar conservatiever worden. De aandacht wordt opgeslokt door het uitonderhandelen van sociale plannen bij massaontslag. De toekomst is even niet belangrijk. Daardoor haken nog meer jongeren af.”

Alle macht aan werkgevers dus?

„Het is maar de vraag of de macht van werkgevers toeneemt, als de macht van de bonden afneemt. In Frankrijk bijvoorbeeld zijn maar weinig werknemers lid van een bond, 8 procent. In Nederland is dat 20 procent. Maar de Franse vakbondsleden werken in cruciale sectoren, zoals het openbaar vervoer in Parijs. Die bonden leggen de hele stad plat, als een regeringsplan ze niet zint. Als Sarkozy de pensioenleeftijd wil verhogen, moet hij dus toch de bonden achter zich krijgen.

„Hooggeschoolde werknemers hebben de bonden minder nodig. Ze staan ook in hun eentje sterk tegenover werkgevers. De macht van flexibel, ongeschoold personeel is gedaald. De bonden proberen dat soort werknemers nu aan zich te binden, maar daar zijn ze niet goed in. De vakbond is er traditioneel voor de grote middengroep van werknemers, qua inkomen. Dat zijn de middelbaar geschoolde mensen die werken in routineuze banen. Dat soort banen zijn in ras tempo aan het verdwijnen. Wij sociologen noemen dat: het verdwijnende midden van de arbeidsmarkt.”

Waarom verdwijnt het midden van de arbeidsmarkt?

„Veel routinewerk wordt geautomatiseerd of uitbesteed, omdat het elders goedkoper kan, in landen met lagere lonen. Denk aan callcenters. In de industrie zijn er ook veel van dat soort banen: mannen met een mbo-opleiding die routinematig machines bedienen. Het kenmerk van laag- en hoogbetaalde banen is dat ze niet routinematig zijn. Die kun je niet uitbesteden.”

Is dit erg?

„We lopen het gevaar dat onze arbeidsmarkt op die in Spanje gaat lijken. Daar bestaat zij voor eenderde uit flexpersoneel. Als we niks veranderen aan ons zware ontslagrecht, dan groeit die groep flexwerkers, en dat is door de uitholling van het midden niet zo wenselijk. Alle grote sociale conflicten van de afgelopen vijftien jaar gaan over dezelfde kwestie: de motivatie en beloning van werknemers gedurende de tweede helft van hun loopbaan. Daar ging het om in de onenigheid rond de vut, het prepensioen, het ontslagrecht en de AOW. De bonden zouden dit moeten agenderen. Hoe kunnen we de positie van oudere werknemers verbeteren? En tegelijk de bescherming van deze groep verkleinen? Zolang we die vragen blijven vermijden, groeit de tweedeling.”

Recent concludeerde een onderzoekscommissie van de Tweede Kamer dat achtereenvolgende regeringen de toestroom van Oost-Europeanen compleet hadden onderschat. Daardoor ontstonden allerlei misstanden. Hoe kon dit zo lang onopgemerkt blijven?

„De politiek heeft bewust opzijgekeken. Doordat het niet lukte om het ontslagrecht te versoepelen, zochten regeringen naar andere manieren om de arbeidsmarkt flexibeler te maken. Het tweede paarse kabinet van VVD, D66 en PvdA schafte de vergunningsplicht voor uitzendbureaus af. De uitzendbureautjes schoten vervolgens als paddenstoelen uit de grond. Er is grote behoefte aan laaggeschoold personeel in de tuinbouw, wereldwijd een belangrijke sector. Dat is rugbrekend werk, waar je flinke artritis van kunt krijgen. Alle projecten om werklozen in die banen te plaatsen, zijn mislukt. Dat kunnen de boeren niet uitstaan. Het minimumloon wordt ontweken door Oost-Europese zelfstandigen in te huren. Het afdragen van sociale premies wordt ontweken door Roemenen te laten werken via een Roemeens bedrijf. Minister Kamp doet hier nu ferme uitspraken over, maar ik denk dat de politieke wil om dit echt aan te pakken, er nog steeds niet is.”

Kan de overheid de arbeidsmarkt tegenwoordig nog wel reguleren?

„De overheid kan maar heel beperkt sturen. Je kunt een minimumloon vaststellen en je kunt verbieden dat onder het minimumloon gewerkt wordt. Maar de overheid kan niet zoveel doen aan Oost-Europese zelfstandigen, die hier werken voor een paar euro per uur. De markt is ongrijpbaarder geworden, al was het alleen maar vanwege de goedkope werknemers in China en Oost-Europa. De grap is dat de overheid sinds de jaren tachtig wel is teruggetreden, maar tegelijk meer is gaan reguleren. Neem het ouderschapsverlof, of het werken in deeltijd. Of wat werkgevers mogen vragen tijdens sollicitatiegesprekken.”

De oorzaken van de eurocrisis liggen in de arbeidsverhoudingen, zegt u?

„De arbeidsverhoudingen tussen werknemers en werkgevers – mijn vakgebied – spelen in de eurocrisis een grote rol. Zuid-Europa kan niet concurrerend worden zonder de arbeidsmarkt te hervormen: minder regels, minder bescherming tegen ontslag. De concurrentieverschillen tussen Europese landen ontstonden toen Duitsland in 2003 zijn arbeidsmarkt flexibiliseerde. De Duitse bonden ruilden meer werk tegen lager loon. IG Metal, de grootste vakbond in Europa, had die truc van de Nederlandse bonden afgekeken. Deze hervormingen drukten de kosten per eenheid product op een manier die geen ander land kon bijhouden. Terwijl Duitsland tien jaar geleden nog de zieke man van Europa was. Hoge werkloosheid, nauwelijks innovatie. De vraag is nu of premier Mario Monti met de Italiaanse vakbonden en werkgevers ook zulke afspraken kan maken. Monti moet snijden in privileges, bijvoorbeeld van notarissen en advocaten. Die hebben te veel macht. Als je een auto wilt kopen in Italië, moet je naar de notaris. Dat is een tijdverprutserij, man, man, man.”

U woonde en werkte vaak in Italië. Zal het Italië lukken de economie te hervormen?

„Ik ben niet fatalistisch over Italië. Er zijn daar verantwoordelijke krachten die begrijpen dat hervorming noodzakelijk is. Ook de grootste linkse vakbond ziet dat in. Toen Italië dreigde niet in de euro te komen, is het ze in een paar jaar gelukt te hervormen. Het probleem van Italië is het grote verschil in economische ontwikkeling tussen het noorden en het zuiden van het land. Liever zou je lagere lonen afspreken voor het zuiden, maar dat lukt niet. Het zuiden wordt namelijk als een bastion van stemmen beschouwd. Bij de laatste verkiezingen stemde iedereen in Sicilië op Berlusconi omdat hij ze een brug had beloofd. Dus wat zie je? Hoge werkloosheid in het zuiden. Jongeren met een universitaire opleiding vinden geen werk. Ze teren op de uitkering van hun ouders, of proberen te werken in het buitenland.

„Slechts 53 procent van de Italianen werkt, tegenover 75 procent in Nederland. Dat moet anders. En dat kan ook. Italianen kunnen prachtige dingen maken. Er is een wereldwijde markt voor luxegoederen. De Chinezen willen ook wat moois. Zoals de Duitsers hun Mercedessen verkopen, kunnen Italianen hun luxe keukens verkopen.”

Vakcentrale FNV heeft intern ruzie. Wat vindt u van het functioneren van voorzitter Agnes Jongerius?

„Dit is een moeilijke tijd voor haar. De toekomst van de FNV staat ter discussie. Ik vind dat ze de problemen zelf heeft veroorzaakt. Ze heeft te stellig gezegd de pensioenleeftijd tot op het bot te verdedigen. Ze had werkgevers niks te bieden in de onderhandelingen. Dat was treurig, een gebrek aan leiderschap. Ze heeft krachten losgemaakt die niet zijn te beheersen. Als je heel hard roept dat het verhogen van de pensioenleeftijd onrechtvaardig is, dan kun je niet meer terug. Toen ze later moest uitleggen dat een verhoging wel goed was, werden conservatieve vakbondsleden woedend. Daarmee geef ik haar critici, FNV Bondgenoten en Abvakabo, geen gelijk. Zij zijn te populistisch en conservatief.”

Leeft het poldermodel nog?

„Jazeker. Ik durf de voorspelling aan dat het blijft bestaan. Dat werkgevers en werknemers baat hebben bij compromissen, zie ik niet snel veranderen. Tenzij het midden van de arbeidsmarkt heel ver uitholt. Maar ook dan hebben werkgevers belang bij het in stand houden van het poldermodel.”

Marike stellinga

    • Marike Stellinga