Leven na de veldslag

In Afghanistan voerde hij 24 tanks en 120 infanteristen aan.

Maar terug in Nederland liep alles in het honderd. Hij vertrok en kwam uiteindelijk terecht in Tiblisi.

Toen hij op een avond door de stad liep, zag hij ze. Schichtig kwamen ze tevoorschijn, in haveloze roedels op zoek naar voedsel. Ze werden geschopt en bekogeld met stenen. In de berm langs de weg bloedden ze dood na te zijn aangereden. Hij hoorde over hondenvangers van de gemeente, die ze met tangen in de nek grepen en ze buiten de stad elektrocuteerden.

„Het was duidelijk dat hier een taak voor mij lag”, zegt oud-luitenant Ivo Bakhuijzen (33). Donkerblauwe driekwartsjas, witte blouse, spijkerbroek en bruinleren schoenen. Kort blond haar, een streng gezicht. We rijden in zijn Jeep door het chaotische verkeer van Tbilisi, de hoofdstad van Georgië.

In de zomer van 2007 voerde Bakhuijzen in Afghanistan nog het tweede peloton van de Alfa-compagnie aan. Het peloton belandde in hinderlagen en maakte de slag bij Chora mee. „Het was de mooiste tijd van mijn leven”, zegt Bakhuijzen, terwijl roestige voertuigen ons links en rechts inhalen. „We vochten daar tegen een achterlijke cultuur.”

Terug in Nederland liep alles in het honderd. In zijn woning in het Drentse Beilen zette hij het op een drinken, bedroog zijn aanstaande echtgenote en vertrok zonder iemand iets te zeggen naar Spanje en de Cariben.

In januari 2008 kwam hij berooid in Tbilisi aan. Zijn stiefvader had hem gevraagd of hij daar een filiaal van zijn onderneming voor luxueuze tuininrichting wilde opzetten – in een land waar 31 procent beneden de armoedegrens leeft. Sinds de hervormingen van de huidige president Saakasjvili is er een rijke toplaag ontstaan die in omheinde villa’s woont en behoefte heeft aan luxe.

De spectaculaire winsten waar zijn stiefvader op rekende, bleven uit. „In dit land ben je nergens zeker van”, zegt Bakhuijzen. „Je wordt belazerd waar je bij staat. Tijdens gesprekken liggen de pistolen soms op tafel. Achteraf eisen onbekende partijen een deel van de winst op.”

Desondanks besloot Bakhuijzen een nog veel groter avontuur aan te gaan: het oplossen van het immense straathondenprobleem van Tbilisi. Hij richtte Dog Organisation Georgia (DOG) op, eind 2010 begon hij aan de bouw van een kennel. „Georgië is een achtergebleven land, de mentaliteit van de bevolking is primitief. Door honden te emanciperen, probeer ik de beschaving hier op een hoger niveau te brengen.”

In de Sovjet-tijd waren er al straathonden in Tbilisi. In de roerige jaren negentig, onder het chaotische bewind van Gamsachoerdia en Sjevardnadze, groeide hun aantal uit tot meer dan zestigduizend – 1 straathond op 75 Georgiërs.

De straathonden vermengden zich met wolven uit de heuvels rond de stad, Georgiërs reageerden steeds vijandiger op de dieren. Er zouden zich gevallen van hondsdolheid hebben voorgedaan, op straat waren argeloze passanten aangevallen.

In 2003 kwam Saakasjvili aan de macht. Tot aan de zomeroorlog met Rusland in 2008, met de regio Zuid-Ossetië als inzet, moderniseerde het land in hoog tempo. Straten en pleinen werden opgeknapt en in de hoofdstad werden pompeuze fonteinen aangelegd, wat Saakasjvili de bijnaam ‘Fountain the First’ opleverde.

De fonteinen hadden grote aantrekkingskracht op de straathonden, vanwege het verse water en de grasperken eromheen. Verschillende roedels gebruikten ze als uitvalsbasis, tot afschuw van de autoriteiten, die de nieuwe nationale trots bezoedeld zagen. Op grote schaal werden de honden opgepakt en afgemaakt.

De kennel ligt op een kale vlakte net buiten de stad. Vijftienduizend euro betaalde Bakhuijzen voor het stuk land dat zeer moerasachtig was en dus een halve meter opgehoogd moest worden. Met 30.000 euro aan donaties, voornamelijk opgehaald in Nederland, kon hij een hoofdgebouwtje, de eerste elf hokken en een schuurtje laten bouwen.

In dat schuurtje woont Gocha, de enige betaalde kracht van het project. In ruil voor een maandsalaris van 1.100 lari (450 euro) moet Gocha dag en nacht op het terrein aanwezig zijn, de honden voeren en uitlaten, het complex reinigen en wolven uit de omliggende heuvels met een jachtgeweer op afstand houden.

Als we het hoofdgebouwtje naderen, komt Gocha in een legerjas tevoorschijn uit het schuurtje. „Toevallig komt hij altijd net naar buiten als ik kom aangereden”, zegt Bakhuijzen.

Een Britse dame in een regenjas vol modderspatten wacht ons op. Het is Fiona, een van de vier expat-vrouwen die Bakhuijzen helpen met z’n project. „Zo gaat het niet langer, Ivo”, zegt Fiona. De aannemer heeft de muren van de elf hokken niet doorgetrokken tot de grond, de snijdende wind blaast door de hokken waar de eerste vijftien straathonden van het project zijn ondergebracht.

„Ik ga pallets regelen”, zegt Bakhuijzen, „dan liggen de honden wat hoger”. In gebroken Georgisch probeert hij Gocha uit te leggen wat de bedoeling is, de oude man knikt een paar keer. „Hij snapt er weer geen zak van”, zegt Bakhuijzen. „Als ik hem niet in de gaten houd, komt hij over een week of drie pas in actie.” Gocha zou al een maand bezig zijn met het graven van een greppel voor een toilet. „Het geld heeft hij waarschijnlijk allang opgezopen.”

Bakhuijzen laat mij de honden zien, blaffend springen ze tegen de tralies op. In het vijfde hok hebben tien puppies gezeten die allemaal zijn overleden. Hij zag ze zitten in de wagen van een toevallig passerende hondenvanger. „Ik eiste die puppies op, met de moederhond erbij.”

Met zijn tang haalde de hondenvanger de dieren uit zijn wagen. „Hier op het asiel bleek dat hij de verkeerde moederhond had meegegeven.” Bakhuijzen belde direct met de dienst. „Hee eikels, ik heb hier de verkeerde moederhond.” Niemand wist waar de rest van de inhoud van de wagen was gebleven.

In het hoofdgebouwtje is de Georgische dierenarts Marika in de weer met drie zieke pups. Van de week heeft een onbekende ze bij het asiel afgezet. Eén pup ligt met een infuus aan zijn poot op een stretcher, de andere slapen op een kleed. „Ik kan zo niet werken”, zegt Marika. „Je moet een operatietafel regelen.”

Ze vindt ook dat er een hek rond het terrein moet komen, omwonenden zouden hebben geklaagd over loslopende honden. „Dat komt door Gocha”, zegt Bakhuijzen. „Hij snapt niet wat uitlaten is, hij zet gewoon de hokken open.”

Marika zegt dat er nog steeds geen verwarming is in het schuurtje van Gocha. „Je kunt hem zo niet de winter laten doorbrengen.” Bakhuijzen wordt boos. „Alsof ik overal maar geld voor heb”, zegt hij getergd.

Bij Bakhuijzens woning, die tevens fungeert als kantoor voor het tuininrichtingsbedrijf, halen we zijn Georgische assistente op en rijden naar het stadhuis waar hij een afspraak heeft met Temur Giorgadze. Giorgadze is hoofd van het Gemeentelijk Departement van Noodsituaties, waar de straathondenkwestie is ondergebracht. Daarnaast is hij professioneel worstelaar; hij maakt deel uit van het Georgische nationale team.

Bakhuijzen heeft eerder besprekingen gevoerd met Giorgadze, een gedrongen man die op Poetin lijkt. „Hij belooft van alles, meestal komt er geen hol van terecht.” De kamer van Giorgadze staat vol met worsteltrofeeën. Aan de muur hangen foto’s waarop hij Saakasjvili de hand schudt.

„De huidige situatie is barbaars, honden worden op een middeleeuwse manier vermoord”, begint Bakhuijzen het gesprek. Giorgadze antwoordt dat er plannen zijn om een gemeentelijk asiel te bouwen waar gevangen straathonden onderzocht zullen worden. „Als blijkt dat de honden gezond zijn, zullen we ze sparen. Helaas is het wel zo dat de meeste honden niet gezond zijn.”

Bakhuijzen begint over een straathondenactivist in Istanbul. „Die behandelt de honden, merkt ze en laat ze in de eigen buurt weer vrij, zodat de hond in vrede verder kan leven. Bent u bereid om het Istanbul-model hier in Tbilisi toe te passen?” Giorgadze haalt zijn schouders op.

Bakhuijzen zegt dat er in de toekomst in zijn asiel plaats zal zijn voor honderd honden. Hij wil ze genezen, steriliseren, een chip bij ze inbrengen en ze uitzetten in de stad. „Kunt u garanderen dat de honden die ik uitzet niet door uw dienst worden opgepakt?” Giorgadze denkt van wel.

„Heeft u dan apparaten om die chips te lezen?” Dat heeft Giorgadze niet. „Het is beter als u ze een bandje omdoet”, zegt hij. „Bandjes kunnen loslaten”, zegt Bakhuijzen. Na een half uur staan we weer buiten. „Dat gemeentelijke asiel wordt natuurlijk gewoon een slachthuis”, zegt Bakhuijzen.

We zetten zijn assistente af en rijden naar Tskneti, een welgestelde buurt waar veel honden zijn opgepakt. Bakhuijzen trapt op de rem als een moederhond met grote tepels oversteekt. De hond loopt een bouwterrein op, we stappen uit en rennen achter haar aan. Op het bouwterrein wordt gemetseld en geboord, cementwagens en heftrucks rijden af en aan. Onder een stapel oud ijzer vinden we een nest met drie puppies.

Een bouwvakker komt aangelopen. Hij pakt een steen en gooit die naar een reu die een eindje verderop staat. „Ben jij nou helemaal gek geworden”, zegt Bakhuijzen. De bouwvakker probeert uit te leggen dat hij het nest bewaakt en dat de mannetjeshond niet dichterbij mag komen. „O, op die manier”, zegt Bakhuijzen. Hij kondigt aan morgen terug te komen met ontwormingspillen, vlooienpoeder en hondenvoer.

Als we terugrijden, zien we naast een vuilnisbak een dode hond liggen, om zijn poot zit een touw. „Dat arme beest, zo bij het grofvuil gedumpt.” Een oude man schuifelt voorbij, Bakhuijzen laat het raampje van de Jeep zakken en vraagt of hij er meer van weet. De oude man mompelt iets over zijn pensioen. „Iedereen heeft het altijd maar over mensenrechten”, zegt Bakhuijzen als we verder rijden, „terwijl er voor mensen genoeg organisaties zijn”.

Thuis laat Bakhuijzen op zijn computer Afghanistan-fimpjes zien die door zijn manschappen in Chora zijn gemaakt. Muziek van Rammstein, beelden van laag overvliegende straaljagers, ontploffingen, een stuk van een paard, een jongetje met een kogelgat in zijn schedel, het afgeblazen hoofd van een Talibaan-strijder die inreed op een Nederlands konvooi. „Het was net Tour of Duty, vet cool.”

In een café drinken we bier. Hij wilde altijd al het leger in, als jongetje in Boskoop speelde hij met soldaatjes en keek hij oorlogsfilms. „Ik wilde mijn land dienen, ik ben bereid te sterven voor de Nederlandse vlag.” Hij volgde de KMA in Breda om luitenant te worden. Dolblij was hij toen hij hoorde dat hij naar Afghanistan mocht.

Als luitenant bepaalde hij of er geschoten werd of niet. Na vijf maanden vechten was zijn eenheid verantwoordelijk voor zo’n vijfenzeventig Afghaanse doden, van zijn peloton sneuvelde niemand. „We waren een vechteenheid, een geoliede machine. Dat hele opbouwgedoe had niets om het lijf.”

Terug in Nederland was alles anders. „Ik ging met mijn vriendin naar de supermarkt in Beilen. Daar maakte ze ruzie over een pakje soep.” Hij wilde terug naar Afghanistan, het mocht niet van Defensie. Ze hadden een logistieke functie voor hem, het is niet de bedoeling dat je direct opnieuw wordt uitgezonden.’

Hij bezocht de legerpsycholoog, die vaststelde dat hij geen trauma’s had opgelopen. „Nee, ik heb geen trauma’s, de meeste jongens hebben die niet. Het gaat erom dat oorlog verslavend is en dat je na zo’n missie niet langer geschikt bent voor het burgerleven, daar bereiden ze je totaal niet op voor.”

Hij nam ontslag. Met enkele militairen uit zijn peloton sprak hij af in cafés, vaak liep het uit op knokken. Ze overwogen een plan te maken om het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart schoon te vegen, zoals de Jantjes dat in 1970 op de Dam hadden gedaan.

Hij verliet zijn aanstaande echtgenote en beleefde avonturen in het buitenland. „Het was zuipen en naaien, verder niets.” Pas in Tbilisi kwam hij enigszins tot rust. „Ik doe weer iets, ik voel me weer belangrijk.”

De volgende dag rijden we met ontwormingspillen, vlooienpoeder en hondenvoer naar de bouwplaats. „Hier, eet maar lekker op, jongens.” Hij grijpt de snuitjes van de pups en duwt de pillen naar binnen, de bouwvakker kijkt verwonderd toe. „Nu zijn ze in ieder geval voor een half jaar beschermd.”

Als we terugrijden, mijmert hij over de toekomst. „Als er meer donateurs zijn, kan ik een hek en extra kennels bouwen, misschien een werknemertje erbij.” Dan gaat de telefoon, het is Fiona. Afgelopen nacht zijn de drie pups overleden, vanochtend heeft een Amerikaan zes nieuwe pups gebracht.

Woedend belt hij assistente. „Alle pups die wij krijgen gaan dood! Deze zes moeten blijven leven! Zeg Gocha dat hij de hokken grondig reinigt, niet alleen de grond, ook de muren. Elke dode hond trekken we van zijn salaris af.”

Dit artikel kwam mede tot stand dankzij een bijdrage van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten