Kerkgeschiedenis over de gewone man

De zeventiende eeuw en religie – Arie van Deursen hechtte aan beide. De gereformeerde historicus schreef er ruim dertig boeken over.

AMSTERDAM - In een verpleeghuis in Oegstgeest is de historicus A.Th.van Deursen op de leeftijd van tachtig jaar overleden. Professor Van Deursen doceerde Nieuwe Geschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Het geloof was een serieuze kwestie voor historicus A.Th. (Arie) van Deursen, die gisteren in Oegstgeest op 80-jarige leeftijd overleed. Op de eerste plaats persoonlijk; de emeritus hoogleraar van de Vrije Universiteit was zijn hele leven actief lid van diverse geformeerde kerkgenootschappen en polemiseerde geregeld met mensen die zijn traditionele geloofsopvatting niet deelden.

Ook voor de historicus Van Deursen was religie belangrijk. Zijn bibliografie is ruim dertig titels groot. Hij vestigde zijn naam met het in 1974 verschenen Bavianen en Slijkgeuzen. Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldebarnevelt. Dit boek over de kerkgeschiedenis beschreef niet alleen disputen tussen de toenmalige politieke en theologische leiders, maar ook het dagelijks leven van de gewone kerkganger. Naar wat voor diensten ging hij, hoe zag zijn begrafenis eruit?

De ‘gewone man en vrouw’ stonden ook centraal in Een dorp in de polder: Graft in de zeventiende eeuw, uit 1994. De recensent van NRC Handelsblad vergeleek deze studie naar het leven van alledag met de klassieker Montaillou van de Franse historicus Emmanuel Le Roy Ladurie.

Van Deursen zag met lede ogen aan dat de kennis over de zeventiende eeuw bij veel Nederlanders steeds verder afkalfde, mede doordat er op school geen aandacht meer aan werd besteed. In De last van veel geluk, een monografie over de Gouden Eeuw uit 2004, mopperde hij: „De naam van Cats is zeer bekend gebleven [...]. Dat zegt niet alles, omdat de gemiddelde beschaafde Nederlander van Cats evenveel gelezen heeft als van Vondel of Huygens, dus helemaal niets.”

Van Deursen trachtte met de geschiedenisboeken voor een breder publiek die hij in de laatste fase van zijn loopbaan schreef, iets te doen aan dit euvel. Hij kreeg daarbij de tijdgeest aan zijn kant. De onvrede over de geringe kennis van de vaderlandse geschiedenis werd opeens ook een politiek item. Het zal hem genoegen hebben gedaan dat Willem van Oranje en Michiel de Ruyter, over wie hij biografieën schreef, en de Statenbijbel een plekje hebben gekregen in de historische canon van Nederland, die in 2006 werd gepresenteerd.