Intelligent startblok, snellere tijd

De afgelopen jaren werden in Nederland vijf sport-laboratoria geopend, maar de resultaten vallen tegen. „We investeren nauwelijks in sportwetenschappelijk onderzoek.”

Ooit stond zwemcoach Jacco Verhaeren met twee stopwatches in zijn handen langs de badrand. De één voor de tussentijden, de ander voor de slagfrequentie van zijn zwemmers. Wie het hypermoderne zwemlaboratorium in Eindhoven nu binnenstapt, glijdt bijna uit over de apparatuur: van start tot finish, elke beweging wordt vastgelegd, gemeten en geanalyseerd dankzij slimme startblokken, krachtplaten en speciale onderwatercamera’s.

En toch knaagt het, onder de innovatiepioniers van de Nederlandse sportwereld. „Je zou zeggen: hier mankeert niks aan, met zo’n accommodatie, de beste trainers, ondersteund door twee embedded wetenschappers en 35 stagiairs”, zegt Roald van der Vliet, sinds de oprichting in 2007 manager van het ‘InnoSportLab’ De Tongelreep in Eindhoven. „Toch het lukt ons niet om het grote bedrijfsleven en de universiteiten erbij te betrekken.”

De ambitie leek zo mooi. Nederland: het Silicon Valley van de sportinnovatie. Op weg naar de gedroomde Olympische Spelen van 2028 werden de afgelopen jaren op vijf plaatsen trainingsaccommodaties omgetoverd tot sportlaboratoria voor het zwemmen, het schaatsen (Heerenveen), zeilen (Scheveningen), turnen (Den Bosch) en de breedtesport (Eindhoven). Het idee is eenvoudig: wie niet groot is moet slim zijn. Door specialisatie op het gebied van kennis en innovatie zou een klein sportland zich moeten kunnen meten met grotere landen die over veel meer middelen beschikken.

Niet dat het geen resultaten oplevert – Jacco Verhaeren zou niet meer zonder zijn start- en keermetingen willen. Maar terwijl beleidsmakers enthousiast roepen dat sportland Nederland met behulp van innovatie een plekje kan veroveren in de mondiale toptien, blijkt de praktijk binnen de driehoek van sport, bedrijfsleven en wetenschap weerbarstiger. Natuurlijk waren er successen, zoals het bad in Eindhoven, de verbeterde materialen in het zeilen en bobsleeën, en de nieuwe wapens tegen sporten in de hitte. Maar Silicon Valley, nee, daarvan is nog lang geen sprake, zegt Van der Vliet.

Het blijft wel de ambitie. Maar hij vindt het onbegrijpelijk dat het zo moeizaam gaat in een regio als Eindhoven, zegt hij geërgerd. „Ik heb nog nooit zo’n groot technologieterrein gezien als hier in Eindhoven. Je hebt de Technische Universiteit, de Fontys Hogeschool, een gemeente die zegt sport en innovatie te willen omarmen, de beste coaches, prachtige sportaccommodaties. We hebben alle ingrediënten om de beste van de wereld te zijn. Dus als je in zo’n omgeving faalt, ben je een loser.”

Sport wordt volgens hem door overheid, bedrijfsleven en wetenschap nog steeds gezien als een vorm van recreatie, niet als een „echte markt”, zoals de gezondheidszorg of de landbouw. „De TU Eindhoven zou zich niet alleen moeten richten op gezondheid en wellness, maar ook op de sport. Grote ondernemingen zouden veel meer kunnen doen voor de sport. Innovatie in de sport is nu gebaseerd op toeval, niet op een systeem. We hoeven ons niet te schamen voor wat we hebben bereikt in De Tongelreep. Maar nu moet het vastgrijpen in de omgeving. Adidas en Nike moeten hier willen wonen.”

Niet alleen het bedrijfsleven, maar ook de wetenschap is nog ondervertegenwoordigd in de kleedkamer, zegt oud-atleet Hanno van der Loo. Hij is een van de drijvende krachten achter de topsportlaboratoria van InnoSportNL, een initiatief van kennisinstituut TNO en sportkoepel NOC*NSF. „Het probleem is dat we in Nederland nauwelijks investeren in sportwetenschappelijk onderzoek. We hebben wel bewegingswetenschappers, maar wat onderzoeken zij? Bewegen door ouderen, daar is geld voor. Bij onderzoeksvoorstellen wordt gekeken naar maatschappelijke relevantie, vergrijzing, ouderdomsziekten – niet naar medailles. Al schrijf je nog zo’n goed voorstel voor een sportwetenschappelijk onderzoek, 99 van de honderd keer leg je het af omdat het maatschappelijk niet relevant wordt gevonden.”

Wat dat betreft speelt Nederland, ondanks de olympische plannen voor 2028, nog lang geen leidende rol in de wereld, zegt Van der Loo. „We zijn op de goede weg, maar we gaan te langzaam. Kijk eens naar Australië, qua inwonersaantal vergelijkbaar met Nederland. Daar zitten alleen al zeven fulltime sportwetenschappers op het zwemmen. Die zijn alleen verantwoordelijk voor medailles – niet voor wetenschappelijke publicaties of onderzoek. In de hele Nederlandse sport hebben we nu ongeveer vier fulltime sportwetenschappers. We moeten meer sporten rijp maken voor die sportlaboratoria.”

Maar niet alle sporten zijn overtuigd van de toegevoegde waarde van wetenschappers, zoals in de atletiek. Van der Loo: „Daar heerst nog een mentaliteit van: we hebben weinig geld, maar als we wat extra hebben geven we het liever uit aan een fysiotherapeut.” Ondertussen, constateert hij, is een land als België in de atletiek succesvoller dan Nederland.

Van der Loo ziet dat als het grootste struikelblok: het gebrek aan fulltime wetenschappers, liefst ex-topsporters, die dagelijks aanwezig zijn in de trainingscentra om coaches en sporters bij te staan met praktische wetenschap. Want zij kennen de nieuwste inzichten. „In het zwemmen zie je hoe technologische ontwikkelingen, zoals de analyses van het starten en keren, tienden van een seconde winst heeft opgeleverd.”

Daarnaast ontwikkelen wetenschappers nieuwe trainingsmethoden, bijvoorbeeld gebaseerd op nieuw inzichten over het fenomeen slaap. Maar volgens oud-topzwemmer Sander Ganzevles, sinds anderhalf jaar als bewegingswetenschapper werkzaam in het Eindhovense zwembad, worden praktische sportwetenschappelijke onderzoeken in Nederland vooral gedaan door de hobbyisten onder de bewegingswetenschappers. „Denk aan de onderzoeken die Jos de Koning heeft gedaan in het schaatsen, of Huub Toussaint in het zwemmen. Je hebt hier geen Australian Institute of Sports, waar een hele onderzoeksgroep bezig is met sport. Maar we kunnen er veel van leren. Wij hebben Philips, wij hebben de TU Eindhoven. We hebben kennis te over, bedrijven te over. Waarom kunnen wij dat niet regelen in de sport, zodat we niet meer afhankelijk zijn van hobbyisten?”