Ik was staatsgevaarlijk, zeiden ze. Een spion

Willem van der Bijl bezocht Noord-Korea regelmatig. Tijdens zijn laatste bezoek werd hij opgepakt.

Dat hij Koreaanse vrienden heeft en souvenirs meenam, dat vonden ze verdacht.

Twee weken zat postzegelhandelaar Willem van der Bijl (60) in een cel van de Noord-Koreaanse geheime dienst. Drie keer per dag werd hij anderhalf uur verhoord door een agent en diens superieur. Hun gezichten bleven strak, niet één keer vielen ze uit hun rol. Ze schreeuwden. „U was zeven jaar geleden om half 3 ’s middags op die straathoek. U raadde daar een staatsburger van ons land aan om te vluchten. U brengt zo onze leider in diskrediet. Dat is erger dan een moord plegen. U moet dat uitleggen.”

Alles wisten ze van hem. In een vuistdik dossier op het bureau staat gedetailleerd beschreven wat hij ooit heeft gezegd, gedaan, gevraagd, gegeten en gedronken in de Volksrepubliek. Sinds 1998 bezocht Willem van der Bijl Noord-Korea regelmatig, hij kwam er terecht via een medewerker van de Korean Stamp Corporation. Op een postzegelbeurs sloten ze vriendschap, toen Van der Bijl een partij postzegels van hem kocht. Afgelopen zomer bezocht hij het land voor de vierentwintigste keer.

In zijn postzegelhandel in hartje Utrecht vertelt Van der Bijl zijn verhaal. Op 18 juli vertrok hij naar Noord-Korea. Hij zou op 30 juli terugkeren, maar sinds zijn vertrek werd niets van hem vernomen. Het zorgde voor grote ophef in Nederland. van der Bijl noemt het een „slechte film”.

U werd zomaar opgepakt?

„Het was een dag voor mijn terugkeer naar Nederland. Ik stond in de tuin van mijn hotel toen ineens twee busjes met gierende banden voor me stopten. Vijftien Koreanen renden naar me toe. Een van hen duwde een papier onder mijn neus, met tekst en een grote rode ster erop. ‘U wordt aangehouden op verdenking van spionage’, schreeuwde hij in het Koreaans. Een tolk vertaalde alles in het Engels. Toen werd ik in een geblindeerd busje afgevoerd naar een gebouw van de geheime dienst.

„Daar werd me gezegd dat ik was opgepakt voor staatsgevaarlijke activiteiten. Dat schreeuwden ze. Ook tijdens de verhoren. Ik zou het land en hun leider in diskrediet hebben gebracht. Ik zou een spion zijn. Ze kwamen met allerlei bewijzen.”

Wat voor bewijzen hadden ze?

„Begrijp me niet verkeerd. Het is natuurlijk onzin. Maar in Noord-Korea is alles wat de staat niet aanstaat spionage. Ik had een stuk of twintig Noord-Koreaanse horloges bij me, omdat een vriend van me die verzamelt. Zei zeiden: wat moet u met twintig van onze horloges? Het verhaal dat dit bij ons een souvenir is, geloofden ze niet. Souvenirs bestaan niet in Korea.”

Wat had u nog meer misdaan?

„Ik ben een van de weinige buitenlanders die zonder medeweten van de staat in contact is gekomen met vele Noord-Koreanen. Dankzij mijn vrienden. Dat mag niet in Noord-Korea. Ook heb ik ruim achtduizend foto’s van eerdere reizen op mijn laptop staan. Stiekem gemaakt. Foto’s van een oud dorpje bijvoorbeeld. Ik zei: dat vinden ze thuis mooi. Zij schreeuwden: spionage! U wilt uw leiders laten geloven dat ons land arm is.”

Hoe gingen die verhoren?

„De eerste dagen werd mijn leven binnenstebuiten gekeerd. Op welke kleuterschool ik had gezeten, waar mijn ouders vroeger werkten, wie mijn vrienden waren. De twee mannen schreeuwden. Ik zat op een laag krukje zodat ik naar ze moest opkijken. Ze maken je zo klein, doen alles om je bang te maken. Je voelt je vernederd.”

U moet ontzettend bang zijn geweest.

„Ik ben positief van aard. Ik dacht eerst: het komt wel goed. Toch raakte ik geïntimideerd. Ik zat in een cel van 2 bij 3 meter met alleen een bed en een harde stoel. Ik moest elke dag vijftien uur op de stoel zitten. Vierentwintig uur per dag werd ik omringd door vier militairen, daardoor moest het wel gaan malen in mijn hoofd. Echt fysiek geweld is niet gebruikt. Ik kreeg elke dag drie kommetjes rijst en water. In twee weken ben ik zeven kilo afgevallen. Ik was bezorgd over mijn vrouw, die ziek is. Ze had al weken niets van me gehoord. Als ik het land uit ben, gaat ze naar een verzorgingstehuis. Mijn ouders, ze zijn dik boven de 80 jaar, mijn kinderen – ze waren allemaal doodongerust.

„Ik mocht nooit vrij bewegen in het land. Altijd moesten er twee gidsen mee. Achteraf hoorde ik dat zij elke ochtend verplicht met een ‘mannetje’ bij de geheime dienst belden. Als we een fabriek bezochten, zat er iemand van de geheime dienst. Als we uit eten gingen, was er een luistervink. In het hotel verdwenen de gidsen. Daar hing toch al afluisterapparatuur. Ik kwam een paar jaar geleden in een van hun kamers, toen ze allebei een lange brief zaten te schrijven. Het dagverslag voor de geheime dienst.”

Voor buitenlanders heeft het land een façade opgetrokken, vertelt Van der Bijl, waardoor Noord-Korea prachtig en welvarend lijkt. Zo is op de heuvels vlak naast het vliegveld een prachtig dorp gebouwd. ’s Avonds brandt er overal licht en ziet het er knus uit. Van der Bijl zegt dat in het ‘dorp’ helemaal niemand woont. Wie met de trein reist, ziet schitterende gewassen langs de rails. Prachtige maïskolven, blinkend rode tomaten. „Maar alleen rondom het spoor. Voor de rest van het land is er geen kunstmest aanwezig. Het land is in werkelijkheid zó arm.”

Tijdens zijn gevangenschap verscheen er in de staatskrant Pyongyang Times een artikel waarin Van der Bijl de lokale verkiezingen prees als „vrij en democratisch”. Koreadeskundigen duidden dat destijds als teken van de autoriteiten om te laten zien dat Van der Bijl nog in leven was.

Hoe gingen de verkiezingen?

„Ik heb de verkiezingen echt bezocht. Ik zag dat mensen al buiten hun stemhokje moesten kiezen: een rood of groen biljet. Niemand durfde het rode biljet te kiezen.”

Waarom wilde u steeds terug naar dat land?

„Ik hou van de mensen, ze zijn lief en naïef. Kan ook niet anders. Al het binnenlandse nieuws op de staatszender is positief, over het buitenland is de zender negatief. Het is fascinerend. Op straat is geen reclame te zien, alleen portretten van de overleden president Kim Il-sung en propagandistische kunst.

„Ik ben nieuwsgierig, ik wil altijd alles weten. Als we ergens rechtsaf sloegen, vroeg ik weleens aan mijn medewerkers waarom we rechtsaf gingen. Het antwoord was altijd hetzelfde: no need to know.”

Ze hadden allerlei bewijzen tegen u, zeiden ze. Toch zit u nu hier.

„Op een gegeven moment kwam mijn tolk met negen vellen Noord-Koreaanse tekst. Dat was mijn ‘bekentenis’. Die moest ik overschrijven in het Engels. Later zeiden ze dat dit mijn eigen tekst was, die zij hadden vertaald. Ik gaf daarin toe staatsgevaarlijke activiteiten te hebben ondernomen.”

U gaf toe?

„Dat moest. Ik dacht dat ik daardoor vrijkwam. Totdat mijn tolk uitlegde dat een rechter mijn straf nog moest bepalen. Alles lag in zijn handen. Heel eng. Hij had me voor tien jaar de bak in kunnen gooien, dan was ik gewoon verdwenen. Toen hij me vrijsprak, moest ik alle aanwezigen bedanken voor deze humanitaire uitspraak. Achteraf bezien denk ik dat ik alleen ben opgepakt om de geheime dienst informatie over al mijn Koreaanse vrienden te verschaffen. Het ging ze niet om mij.”

Gaat u terug naar Noord-Korea?

„Het kriebelt. Ik ben verslaafd. Maar ik mag niet meer van mijn familie en vrienden. Ze zijn bang dat ik dan misschien wel voor jaren verdwijn. Tja… misschien is het toch best gevaarlijk.”