Gillend lig ik op de grond

Het is Oudejaarsavond, het grote vuurwerk is net voorbij, en ik sta met drie vrienden uitgelaten in de rij voor een club in het Franse Alp d’Huez, waar we rond de jaarwisseling op wintersport zijn. De uitsmijter is een beer van een vent van minstens 2 meter 10. Voor ons in de rij staat een groepje Franse jongeren te koukleumen. Als ze aan de beurt zijn om naar binnen te gaan, besluit de beer dat ze te jong zijn. Maar de jongeren blijven mopperen. Geïrriteerd trekt de beer zich terug in de club, deur dicht. De jongeren druipen af, wij komen vooraan in de rij te staan.

Het ene moment zie ik dat de beer de deur weer open doet, het volgende moment begint mijn vriendin, die vlak voor me staat, te krijsen. Ze grijpt wild naar haar gezicht. Het volgende moment zie ik niets meer. En lig ik gillend op de grond. Ik probeer sneeuw in mijn gezicht te duwen – het staat in brand!

De pijn is onbeschrijflijk, een sigaret die in je ogen wordt uitgedrukt, duizend hete spijkertjes die in je gezicht prikken.

We proberen naar huis te komen, kruipend, huilend, blind, niet-begrijpend wat er precies is gebeurd. Ik wrijf in mijn ogen, maar dat maakt de pijn nog feller.

In ons appartement wil ik alleen maar onder de douche. Koud, ijskoud water. Even vind ik daar verlichting, maar dan voel ik de vlammen langs mijn nek lopen en lijkt mijn hele lijf in brand te staan. Het lijkt een nacht zonder eind. Mijn vriend heeft de wolk pepperspray ingeademd en valt voortdurend flauw omdat hij geen lucht krijgt.

De volgende dag doen we aangifte tegen de beer. Maar als ik mijn jas aantrek, beginnen mijn ogen weer te prikken. De pepperspray zit nog in de stof. Dan maar zonder jas de sneeuw in, met bloeddoorlopen ogen. En nog een gelukkig nieuwjaar.

Maite Vermeulen