Wie is er nog origineel?

De commercie lijkt de verbeelding te verdringen.

Thomas Blondeau merkt dat de media snakken naar literaire relschoppers.

We waren die nacht opgebleven, mijn vrienden en ik, onder spaarlampen stralend als onze ziel. Lange tijd hadden wij op onze iPads onze willoosheid vertrapt, discussiërend aan de uiterste grenzen der logica, en blogs volschrijvend met bezeten woorden. We begonnen aan een manifest:

1. Elke tijd krijgt de literatuur die hij verdient. Dat betekent een oververtegenwoordiging van proza dat appelleert aan een vergrijzende bevolking; een stroom aan verstilde boeken die op een uitgekauwde manier uitgekauwde thema’s behandelen.

2. Waar een lijk rot, wordt de grond bemest. Wij verdrijven de stank van de ontbindende literatuur met de luchtverplaatsing van onze snelheid en niet-aflatende expansiedrang. Pas als Leven literatuur is en Literatuur leven, zullen wij rust kennen.

3. De literatuur van de toekomst is …

Sorry, beste lezer, dat ik het schriftelijke equivalent van een cock tease met u uithaalde. Maar wat is me aan het hoofd gezeurd om een dergelijke tekst. Tijdschriften, kranten en radioprogramma’s wilden een ‘rellerig program’, ‘een schotschrift dat flink van leer trekt tegen de ingedutte…’.

Aanleiding was de bloemlezing Agents-Provocateurs, 20 onder 35, samengesteld door journalist Hassan Bahara en mijzelf. Toen bleek dat een dergelijke aanval er niet in zat, haakten de media af. Ik overwoog een parodie te schrijven, zoals hierboven – de kenner zal de echo van Het futuristisch manifest (1909), van de Italiaanse dichter Filippo Tommaso Marinetti niet ontgaan zijn. Maar ik wilde dat niet doen over de rug van de gebloemleesden.

Bahara en ik zochten naar de 20 origineelste, Nederlandse of Vlaamse schrijvers, bouwjaar 1977 of daarna. We maakten een staalkaart, de wereld wilde lawaai. Tip aan de kunstenaar die zich onderbelicht voelt: begin een –isme of een nieuwe Dogma-groep. Maar hoe gedateerd kun je zijn? De roep om de nieuwe lichting Tachtigers of dadaïsten, kwam Lucebert, de keizer van de Vijftigers, al de neus uit. In 1952 dichtte hij: ‘de tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij.’

Die journalistendrang naar strijdlustige sjablonen stond tegenover het dédain van de recensenten. Hun reactie: ‘Er staan goede verhalen in die bundel, maar nieuwe?’ Een begrijpelijke maar ook kortzichtige en uiteindelijk beledigende houding.

Begrijpelijk, want chronologisch vertelde verhalen en romans over opgroeien, ontworstelen en overspel waarin herkenning en psychologische kenschets centraal staan, blijven onverminderd populair. En bij het doorploegen van het aanbod aan debuten begon bij mij het aspartaam-humanisme of die eeuwige ironische distantie ook wel eens tegen te staan.

Maar het is een kortzichtige houding, want het is nu eerder aan de lezer dan aan de schrijver om zich te vernieuwen. Dat befaamde writer’s and reader’s block, dat ‘postmoderne impasse’ heet, is een cliché.

De schrijver in Louis Paul Boons Kapellenkensbaan verzuchtte nog: ‘Het is mogelijk dat het onmogelijk is om iets nieuwer en juister te zeggen, maar over al het geschrevene daalt het stof der tijden neer, en ik peins daarom dat het goed is als om de 10 jaar een andere een kruis trekt over al die oude dingen, en de wereld-van-vandaag opnieuw uitspreekt met andere dingen.’ Om vervolgens een van de vernieuwendste romans uit de Nederlandstalige literatuur te schrijven.

Boons afstofgedachte gaat bovendien nog maar ten dele op, want er zijn genoeg onderwerpen in de Nederlandstalige literatuur die nauwelijks aangeraakt laat staan uitgediept zijn. Bijvoorbeeld: massamedia, vergrijzing, globalisering, ecologische rampen, inhoudsloze personencultus. Jonge schrijvers als Bervoets, Vandecasteele of Theunissen maken deze thema’s net tot leidmotieven.

Het is een kortzichtige houding, want naast deze evidente maar vaak onopgemerkte vernieuwing zijn ook vorm en structuur aan het verschuiven. Een vermenging van genres is een constante binnen de literatuu,r maar de zoektocht naar nieuwe vormen is nu definitief vervangen door een speels hanteren van verschillende genres. De postmoderne roman is een prozavorm geworden zoals een sonnet een poëzievorm is.

Het is een kortzichtige houding, want ook de status van fictie is aan verandering onderhevig. In wereld met een constante informatiestroom begint de vraag ‘Is het echt gebeurd?’ ook in de literatuur steeds belangrijker te worden. Dat heeft als meer kwalijke component de obsessie met het leven van de auteur: ‘Val je echt op zwarte vrouwen?’ of ‘Ben je echt misbruikt?’. Maar de auteur kan die spanning tussen verdichting en waarheid gaan uitbuiten. Als je ervan uitgaat dat ieder verslag is gekleurd door de waarnemer, is het aan de schrijver om dat mechanisme bloot te leggen. Dat kan op een radicale manier, zoals bij Dautzenberg, of op de new journalism 2.0-aanpak van Thomas Blommaert of Stijn Tormans.

Nu de entertainmentindustrie alomvattender is dan ooit, grijpt men niet meer naar een roman om te ontsnappen aan de dagelijkse realiteit. Integendeel, men gaat lezen om er iets van te snappen. In de bloemlezing zijn dan ook niet alleen romanciers maar ook essayisten en journalisten opgenomen op basis van hun literaire kwaliteiten.

De houding ‘Er is niets nieuws onder de zon’ is uiteindelijk beledigend voor al wie vindt dat literatuur meer is dan een beschaafd tijdverdrijf als bridge of schaak. Als literatuur een functie heeft die andere tekstuele genres ontbeert, dan is het aandacht vragen en empathie kweken voor gevoelens of gedachten van de Ander.

Of het nu gaat om de belevingswereld van een moordenaar of een gefrustreerde puber, een hunkerende single of een terrorist, romans geven ons een kijk op zaken waar geen camera of microscoop vat op heeft. Een romancier beschrijft wat afwijkt. Hoe kan zo iemand zich dan geloofwaardig conformeren aan een paar stelregels of wat haar kroegmaten vinden? We wilden toch geen grote verhalen meer? Heb dan ook respect voor het hyperpersoonlijke, het gefragmenteerde en het gruizige.

Daarbij is het opvallend dat voor zover letterkundige manifesten nog verschijnen, ze niet gaan over een nieuwe literatuur maar over het belang van literatuur. Dat pleidooi lijkt dan vooral ingegeven door angst. Angst die bol staat van paradoxen: ‘Literatuur verdwijnt naar de marge’ versus ‘Er verschijnen te veel titels’, ‘Niemand leest nog poëzie’ versus ‘Op al die blogs wordt er toch een hoop geëmmerd over gedichten’.

In dat licht is het hoopgevend dat schrijvers geen behoefte voelen om een actieplan op te stellen. Verschillende van de gebloemleesde auteurs hebben al meerdere titels op hun naam staan, treden op, schrijven columns, roeren zich op sites. Waarom dan nog avant-garde à la Dada spelen? Klaagzangen over zichzelf herhalende of gedevalueerde literatuur is cultuurpessimisme; het brandalarm van onze beschaving. Zeker, het is goed om het af en toe te laten afgaan. Maar wie zonder omkijken het huis uit rent, loopt onnodig het gevaar veel waardevols achter zich te laten.

Thomas Blondeau is schrijver en medesamensteller van Agents-Provocateurs