Technische trucs kunnen euro niet redden

Langzamerhand beginnen politici in heel Europa te beseffen dat zij de schulden-crisis te ver hebben laten doorwoekeren. Zo ver, dat nu alleen nog maar paarden-middelen over zijn.

Vandaag was de nieuwe Griekse premier, Lucas Papademos, in Brussel, voor overleg. Morgen begint Mario Monti, de nieuwe premier van Italië, een toernee langs Brussel, Luxemburg en Straatsburg. Binnenkort zal Mariano Rajoy, de conservatieve partijleider die gisteren de Spaanse verkiezingen won, ook noordwaarts vliegen.

De nieuwe Europese regeringsleiders moeten bezuinigen en hervormen tot ze een ons wegen. Tegelijkertijd weten zij en hun Europese gesprekspartners dat dit de eurocrisis niet meer oplost. „We hebben grof geschut nodig”, zegt een Europese topfunctionaris. „De oplossing is niet technisch meer, maar politiek. Ik zie nog twee oplossingen: groots ingrijpen door de ECB en de introductie van euro-obligaties.”

Langzamerhand beginnen politici in heel Europa te beseffen dat zij de schuldencrisis te ver hebben laten doorwoekeren. Het probleem is geen Grieks of Italiaans probleem meer. Nu beleggers zelfs Finse en Nederlandse staatsobligaties dumpen, wordt duidelijk dat de crisis alle eurolanden in zijn greep heeft. Dit kan alleen nog door krachtig, collectief ingrijpen worden gestopt. „De crisis is van perifeer existentieel geworden”, schrijft directeur Jean Pisani-Ferry van de Brusselse denktank Bruegel in zijn jongste boek, Le Reveil des Démons.

Dat de bankencrisis terug is van weggeweest, maakt het nog erger. Staatsobligaties worden minder waard en verzwakken banken in heel Europa. Er is geen geld voor nieuwe bail outs van banken. Zo versterken schuldencrisis en bankencrisis elkaar in een negatieve spiraal van stijgende bank- en staatsschuld. Om deze spiraal te stoppen, is bezuinigen en hervormen niet genoeg. Politieke ingrepen zijn nodig.

Veel economen zeggen het allang: de stap-voor-stap-aanpak van de regeringsleiders is onvoldoende. Het werkt steeds eventjes, en dan escaleert de malaise verder. Politici hebben maatregelen getroffen die vóór de crisis taboe waren – van Europese banksupervisie tot het euronoodfonds. Maar het is niet genoeg.

De laatste weken begint dit besef door te dringen tot het hoogste politieke niveau. Na de Europese top van 27 oktober – waarop besloten werd om de slagkracht van het noodfonds EFSF met financiële hefboomtrucs te verviervoudigen, Italië hervormingen op te leggen en beleggers 50 procent te korten op hun Griekse staatsobligaties –, verslechterde de situatie dramatisch.

Frankrijk dreigt zijn AAA-status te verliezen. Zo wordt het voor het EFSF moeilijker en duurder om in actie te komen. De hefboomplannen voor het EFSF, waarover de ministers van Financiën volgende week moeten besluiten, vallen daarom in duigen. Een ambtenaar zegt: „Het idee was om het EFSF groter te maken zónder dat eurolanden extra geld in de pot stoppen. Dat is nu al achterhaald.” „We zitten in het diepste dal ooit,’’ zegt een onderhandelaar. „Ik weet niet of we er nog uitkomen.”

Anderen noemen het falen van stoplapoplossingen een zegen: het versimpelt de probleemstelling. Het stadium van de technische trucs is voorbij. Dat dwingt politici krachtige keuzes te maken. Willen ze de euro nog, of niet? Zijn ze bereid de prijs te betalen die daarvoor nodig is? Op de volgende top – 9 december in Brussel – zou dit moeten blijken. Zelfs optimisten zeggen dat de hele Europese economie kan instorten als er dan geen duidelijkheid komt.

De prijs van het behoud van de euro is hoog. Eén: er moet een instelling komen die massaal staatsobligaties van eurolanden kan opkopen. Als landen niet willen dat de ECB het doet, moet het EFSF het doen.

Twee: eurolanden moeten hun schuld ‘poolen’ middels euro-obligaties. Nu beleggers een Italiaanse euro anders behandelen dan een Finse euro, is er geen andere oplossing: anders centrifugeert de euro zichzelf kapot. Beide oplossingen draaien, voor àlle eurolanden, om soevereiniteitsverlies.

Europees commissaris Olli Rehn presenteert woensdag, op verzoek van regeringsleiders, een analyse van drie soorten euro-obligaties. In bilaterale een-tweetjes spreken regeringsleiders over de vraag of de ECB als lender of last resort kan optreden, of dat het EFSF het moet doen. In beide gevallen moeten dan juridische restricties worden opgeheven.

In noordelijke eurolanden als Duitsland en Nederland is veel verzet tegen deze maatregelen. Daarom is de Duitse bondskanselier Merkel publiekelijk tegen. Maar achter de schermen zou haar toon milder zijn. Merkel wil de euro houden en zou aan een tegenbod denken: alleen als er echt een ‘regering’ voor de eurozone komt, met automatische sancties en superstreng begrotingstoezicht vanuit Brussel, wil zij euro-obligaties en meer macht voor het EFSF overwegen.

Voor dit hele pakket moet het Europees verdrag worden gewijzigd. Dit kost tijd en vanwege de groeiende euroscepsis in Noord-Europa is het politiek riskant. Maar nu al het andere heeft gefaald, hebben politici weinig andere opties meer.

    • Caroline de Gruyter