Speeddaten met de geschiedenis

Jonge intellectuelen hebben de Arabische wereld bevrijd van censuur en cynisme.

De weg is nog lang. Maar deze lente gaf hen hun trots terug.

Ergens halverwege de eerste tien jaar van deze eeuw bezocht ik Tunis, waar ik op uitnodiging van de Nederlandse ambassade in gesprek zou gaan met Tunesische schrijvers en hun studenten. We troffen elkaar in een hotel aan de Avenue Habib Bourguiba, in het centrum van de stad. De locatie was indrukwekkend, evenals de positie van de schrijvers – iets té indrukwekkend eigenlijk voor zo’n klein land als Tunesië. De titel van het seminar, ‘De rol van de schrijver in de hedendaagse samenleving’, klonk in de voertaal, het Frans, zelfs nog pompeuzer.

Het was een onvergetelijke reis, maar om de verkeerde redenen. Er leek niet zoveel te bespreken. De meeste Tunesische schrijvers spraken van papier. Hun stemmen klonken vlak, schuchter, welsprekend betekenisloos en onmenselijk grauw – ze spraken als bureaucraten van de politiestaat, niet als schrijvers, en verrieden alles waarvoor ze op de bres zouden moeten staan.

Maar ik vond dat ik hen niet kon aanvallen, omdat hun collega’s in Marokko, Algerije en Irak hetzelfde deden; wie zijn mond opendeed en het taboe en de censuur van het discours doorbrak, zou wegens oneerbare gedachten worden opgepakt door de geheime dienst. Ik heet Benali, net als de Tunesische dictator, en dat was iets wat mensen overviel. Na mijn toespraak en mijn gesprek met literatuurstudenten (99 procent vrouwen, geen hoofddoekjes te zien) werd ik door de staatstelevisie, Kanaal 7, benaderd voor een vraaggesprekje. De interviewster vuurde in het Arabisch vragen af en ik meende haar te moeten uitleggen dat mijn Arabisch voor een interview niet goed genoeg was. Ze keek een beetje zuur, alsof ik haar net had verteld dat Tunesië in andere talen een lelijk woord was. „Maar we kunnen misschien Frans spreken,” stelde ik voor. Geen antwoord en een pijnlijke stilte.

„Het spijt me,” zei ze na enig hulpeloos gepeins, „maar iemand met de achternaam Benali mogen we alleen in het Arabisch interviewen.” Bevorderlijk was ook niet dat ik het tijdens het etentje met de schrijvers wilde hebben over de uitwerking van de zender Al Jazeera op de regio. Ze zwegen – met sombere, geschrokken en ronduit bange blikken; een van hen wees naar het plafond, een gebaar waarmee hij wilde zeggen dat dit niet de plaats was om zoiets te bespreken. „Laten we in een café praten,” zei hij na afloop. Maar ik heb hem niet meer teruggezien, al dan niet in een café.

De Arabische opstanden zijn een onmiskenbaar feit: ze hebben plaatsgevonden. Mensen hebben hun leven gegeven om het onvoorstelbare voorstelbaar, het ondenkbare werkelijkheid te maken. De gevolgen van de gebeurtenissen in een aantal landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten zullen nog jarenlang worden gevoeld.

Tot voor kort was het plein de plaats waar moest worden gezwegen – het was een open plek, maar zonder actie en beroering. Tot de massabetogingen in Libanon van de 14de maart-generatie in 2005, toen meer dan 100.000 mensen het Plein van de Martelaren in het centrum van Beiroet vulden, leek het Arabische plein niet meer dan een plek waar zich kinderen, vrouwen en bejaarden verzamelden.

Het plein werd de bepalende plaats van de Arabische jeugd, afkomstig uit alle hoeken van de samenleving, die het overstroomde met een veelheid van betekenis en inhoud. Het plein is een plek waar de censuur faalt; het is er te druk. Dit kan hun niet meer worden afgenomen: de mensen van Tunis en Tahrir en Aden hebben het plein met hun stemmen bevrijd.

Een jonge bevolking, mondig dankzij de sociale media en gesteund door een overvloed aan massamedia, wist in gewone-mensentaal in te spelen op de behoeften en rechten van iedereen – dat is de Arabische Lente in een notendop. En wij in het Westen staan versteld van deze speeddate met de geschiedenis.

De hardvochtige koehandel waarbij de Arabische heersers de zuidgrens van Europa beschermden in ruil voor de blindheid van hun westerse tegenhangers voor mensenrechtenschendingen, is niet meer houdbaar. Wie had gedacht dat de NAVO zich in de zaken van Libië zou mengen en daarmee haar bondgenoot Gaddafi zou onttronen – bij uitstek de leider die had beloofd de Europese grens te beschermen? De laatste tien jaar is de Arabische wereld vooral bezien in het licht van terrorisme, fundamentalisme en stagnatie.

Al Jazeera heeft als politiek onpartijdig instrument een zeer ingrijpende invloed op het welslagen van de revoluties gehad. In de Arabische wereld bestond het wijdverbreide idee dat het verlies van een Arabisch leven niet meer telde, dat hun doden geen naam, geen identiteit hadden. Het Arabische slachtoffer was in de spiegel van de wereld niet te zien. Al Jazeera begreep dit door van het anonieme slachtoffer een persoon te maken; 24 uur per dag, zeven dagen per week.

Wat de opstanden – of bewustwordingen – bindt, is een collectief verzet tegen de georganiseerde misdaden van de Arabische regimes, een collectief verzet dat al lang op komst was. De kanker in het merg heet corruptie. Wat democratie is voor Europa, is corruptie voor de Arabische wereld. Er is te veel van. De winnaars zijn corrupt, de verliezers zijn corrupt. Het is een onduidelijke lijn, een wortelstok die knaagt en kronkelt door alle lagen van de Arabische samenleving, de openbare ruimte, de media: de aanwezigheid van corruptie.

De opstanden kwamen niet uit de lucht vallen; wereldschokkende historische bewegingen ontstaan nooit bij toeval. Tussen 2006 en 2011 kende Egypte – het land dat de grootste hoop biedt voor de regio – een opeenvolging van arbeidsonrust.

In de afgelopen 20 jaar (lange jaren!) hebben de Noord-Afrikaanse landen hun jonge mannen naar Europa zien vluchten – ook een soort verzet. Maar dit alles veranderde door 9/11. Het Westen werd een kil oord voor de Arabische intellectueel.

Door de groeiende onverdraagzaamheid en anti-moslimgevoelens besloten veel van deze intellectuelen, jong en boos, onvoldaan en na diep nadenken, dat ze in het Westen niets meer te verliezen hadden en keerden terug naar Caïro, Casablanca, Beiroet en Damascus, Jeruzalem zelfs. Ze brachten mee wat ze begrepen en gezien hadden in de wereldsteden Londen en New York, hun netwerken en grondige kennis van de ironie van de geschiedenis, en zochten zich een weg in hun eigen wereld. Daar heerste dan wel dictatuur en censuur, maar werden ze in elk geval niet als terrorist of vuile Arabier gezien.

Ik ben er diep van overtuigd dat een van de gevolgen van 9/11 is geweest dat jonge intellectuelen in de steden zich op de kwalen en kwaden van hun eigen samenleving gingen richten. Maar hun gewelddadige, cynische overheden besloten zich blind te houden, want die waren te druk in de weer om samen met het Westen op fundamentalisten te jagen en hen aan de kinderopvang van Guantánamo Bay over te dragen.

Mijn reizen door de Arabische wereld, mijn ongelooflijk inspirerende en vruchtbare ontmoetingen met intellectuelen, schrijvers, kruideniers, taxichauffeurs, moeders, schilders, dissidenten, cabaretiers, filmers, geluidstechnici, boeren, artsen, architecten, politici, vrijwilligers en ijsverkopers hebben mij het diepe gevoel gegeven dat dit geweldige, complexe mozaïek van identiteiten beslist op weg is naar de vervulling van zijn lotsbestemming.

Misschien moeten we iets zien te vinden tussen optimisme en pessimisme, een nieuwe lente die er rekening mee houdt dat de tijden veranderen. Ik doe mee.

Abdelkader Benali is schrijver. Dit is een fragment uit een essay dat hij schreef voor het Britse magazine ‘Index on Censorship’.