Slavinnen werden niet massaal verkracht

Het debat over de slavernij wordt gevoerd op bijzonder emotionele wijze. De feiten lijken hierbij weleens onder te sneeuwen, zoals over ‘massale verkrachtingen’, betoogt Piet Emmer.

In het verslag van Maarten Huygen van het debat in de Rode Hoed over de NTR-documentaire De Slavernij (Opinie, 11 november) komt een bekend spook om de hoek kijken – de massale verkrachtingen van slavinnen. Die verkrachtingen vormden volgens een deel van het bij het debat aanwezige publiek een belangrijk kenmerk van de slavenhandel en de plantageslavernij.

Deze opvatting past bij het gitzwarte beeld dat deze instituties oproepen. Al in de negentiende eeuw vormden verkrachtingen aan boord van de Engelse slavenschepen een veelgebruikt argument in de abolitionistische campagne tegen de Atlantische slavenhandel.

De meeste slavinnen kwamen evenwel niet terecht in de Atlantische slavenhandel, maar in de handel binnen Afrika en de handel naar de Arabische wereld. De berichten over de verschrikkingen van de lange karavaanreizen en de hieraan verbonden hoge sterftecijfers doen vermoeden dat de slavenhandelaren al hun energie nodig hadden om hun handelswaar op de been te houden en overvallers af te slaan. In deze situatie zouden verkrachtingen het risico van verzet en ontsnapping sterk vergroten. Dit lijkt niet aannemelijk, al is niets zeker. Duidelijk is dat veel, zo niet de meeste slavinnen hun nieuwe eigenaren in Afrika en het Midden-Oosten seksueel ten dienste moesten zijn en dat ze vooral veel kinderen moesten baren. Dit waren in deze gebieden juist belangrijke redenen om slavinnen te kopen.

De handel in slavinnen naar de Nieuwe Wereld had een ander doel. De meeste Afrikaanse vrouwen werden daar ingezet als arbeidskrachten en meestal niet als concubines. Weer is onbekend hoe in Afrika de reis naar de kust verliep, maar als we de scheepsartsen en de kapiteins van de slavenschepen mogen geloven, moet dit een ware hel zijn geweest. Veel van de slaven en slavinnen die op de kust van Afrika te koop werden aangeboden, bevonden zich in een deplorabele conditie. Dorst en uitputting tijdens de soms wekenlange trek naar de kust vergden waarschijnlijk veel meer slachtoffers dan de daarop volgende zeereis. Dit doet vermoeden dat in zo’n situatie massale verkrachtingen onwaarschijnlijk waren. Evenmin weten we hoe het op de Europese forten eraan toeging, maar de meerderheid van de slaven en slavinnen kwam helemaal niet aan boord van een slavenschip via een fort, maar met een kano van een Afrikaanse handelaar.

Vast staat dat op de slavenschepen geregeld verkrachtingen voorkwamen. In de instructies aan de kapitein werd bepaald dat bemanningsleden die zich aan verkrachting schuldig maakten, streng dienden te worden gestraft. De straffen werden nauwkeurig genoteerd in de journalen van de schepen van de Commercie Compagnie te Middelburg. Daarom weten we dat het op de schepen van die rederij bij incidenten bleef. Ook dit ligt voor de hand. De bemanning was tijdens de oversteek van Afrika naar de Nieuwe Wereld verzwakt door tropische ziekten en had vaak de handen vol om het schip zeilwaardig te houden. Verkrachtingen vergrootten het gevaar van opstanden. Dit was een nachtmerrie voor de bemanning, die ver in de minderheid was tegenover de slaven.

Deze ongelijke getalsverhoudingen waren nog extremer op de plantages in het Caraïbische gebied, vooral in de Nederlandse plantagekoloniën. Daar kwamen ongetwijfeld verkrachtingen voor, maar ook daar groeide dan het risico van verzet, weglopen en opstanden. Er zijn voorbeelden te over van directeuren en opzichters die het veld moesten ruimen of die werden vergiftigd omdat de slaven zich verzetten tegen hun optreden, zoals ongewenste seksuele contacten met slavinnen.

Dat op de slavenschepen en de plantages verkrachtingen incidenten en geen onderdeel van een systeem waren, wordt ook duidelijk uit de geboorteregisters van de plantages. Hierin staat slechts een zeer gering aantal mulatse baby’s genoteerd. Van een soort ‘mulatse geboortegolf’ ten gevolge van verkrachtingen tijdens de scheepsreis, zeven tot acht maanden na aankomst van slavinnen uit Afrika, was evenmin sprake. Verreweg de meeste op de plantages geboren mulatten waren het gevolg van vaste verbintenissen tussen slavinnen en het vrije plantagepersoneel en niet van verkrachtingen. Samenwonen met een directeur of opzichter leverde een slavin nu eenmaal extra voordelen op. Dit gold ook voor haar mulatse kinderen.

Al deze argumenten lijken te suggereren dat een deel van het publiek in de Rode Hoed liever geloof hecht aan emotionele dan aan rationele informatie. Dit geldt ook voor vele anderen in de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap in ons land, zoals in de bespiegelingen van de hand van Mark Duursma – in de krant van 15 november jl. – over het onlangs verschenen boek Meerstemmig Verleden, met interviews over de nawerking van de slavernij anno 2011.

In Duursma’s artikel wordt gerefereerd aan mijn mislukte poging om de moderne Nederlander de verschrikkingen van de scheepsreis van Afrika naar de Nieuwe Wereld duidelijk te maken door een vergelijking te maken tussen de ruimte die een slaaf tijdens de wekenlange overtocht kreeg toegemeten en de ruimte in de economy class van een Boeing 747, waarin een passagier hoogstens acht tot tien uur doorbrengt. Dat het aantal kubieke centimeters juist is, deed er helemaal niet toe in het emotionele debat. Spoedig werd beweerd dat ik een vergelijking had gemaakt met een all inclusive vakantiereis.

Deze reactie maakt duidelijk hoe snel een kloof kan ontstaan tussen het wetenschappelijke en het emotionele beeld van de slavernij.

P.C. Emmer is emeritus hoogleraar geschiedenis van de Europese expansie en auteur van De Nederlandse slavenhandel (Amsterdam, 2003).