Quota voor lager opgeleiden in Kamer

Net als rond 1900 sluit de samenleving lager opgeleiden uit. Deze beweging is terug te zien in het parlement. Negen op de tien Tweede Kamerleden zijn hoger opgeleid. Wie quota voor vrouwen wil, zou deze ook kunnen bepleiten voor lager opgeleiden , betoogt Henri Beunders.

Kan de gezeten burgerij, de babyboomgeneratie, worden vergeleken met de hogere burgerij die rond 1900 wankelde tussen arrogante zelfingenomenheid en veelal irrationele angsten over het oprukken van de ‘gedegenereerde’ volksklassen? In menig opzicht is dit inderdaad het geval.

Eind negentiende eeuw zocht de burgerij, en vooral links-liberalen, de oplossing in het beginnen met een beschavingsoffensief. Dit werd daarna ondersteund door nieuwe emancipatiebewegingen, zoals katholieken, gereformeerden en later ook sociaal-democraten.

Veel andere burgers zochten hun toevlucht in allerhande meer particuliere initiatieven om de individuele mens te verheffen tot een hoger zedelijk peil, zoals het vegetarisme, de geheelonthouding, het spiritisme, de theosofie en de antroposofie.

In zijn magnum opus Op het breukvlak van twee eeuwen. De westerse wereld rond 1900 schetste historicus Jan Romein de sfeer rond 1900 als een opstand tegen het heersende rationalisme. Te midden van groeiende welvaart, maar ook groeiende armoede, twijfelden velen aan de vooruitgang. Een sterk verlangen heerste naar holistische eenheid en idealisme.

Romein vond al die beweginkjes voor „heil en zaligheid” maar niets. „Heel dit ongrijpbare en toch overal voelbare idealisme, al dit gezond en zuiver willen doen had in zijn eenzijdigheid en onwerkelijkheid vaak iets ziekelijks, al dit streven naar het hogere vaak iets onmenselijks in zijn bloedeloze humorloosheid.” Al dit geijver voor geheelonthouding, antivivisectie, spiritisme en theosofisme zag Romein als een uiting van het schuldige geweten en een boetedoening van de burgerij.

Het zou interessant zijn te weten hoe Romein zou hebben gedacht over de Partij voor de Dieren, de campagne tegen het roken en allerlei new-agebewegingen en -uitingen. Hoe zou hij Hollywoodfilms als Terrence Malicks pseudoreligieuze The Tree of Life of Clint Eastwoods Hereafter, over bijna-doodervaringen, hebben betiteld?

Historicus Piet de Rooy heeft erop gewezen dat Romein zich in zijn spijkerharde oordeel aansloot bij de tirades van Troelstra van rond 1900 over al die „kleine geloven” van die „duizend en een profeten”. De bezorgde burgerij snapte niet dat er een echte klassenstrijd aan de gang was, aldus Troelstra.

In hun retoriek waren deze vroege socialisten, volgens politiek historicus Henk te Velde, meer populisten dan socialisten. Te Velde noemt ook Abraham Kuyper een raspopulist. Zelfs Geert Wilders zou niet aan hem kunnen tippen.

Als we Te Veldes analyse betrekken bij de bestaande angst voor en afwijzing van alles wat ‘de lagere klassen’ betreft die op Wilders stemmen, is het goed te beseffen dat Troelstra later een reformistisch politicus werd, dat Kuyper zelfs premier werd en dat al die emancipatiebewegingen met het algemeen kiesrecht in 1918 ingroeiden in de natie – al werd de NSB in de jaren dertig een buitenbeentje, net als de communistische partij.

Als we de vergelijking tussen de periode rond 1900 en het afgelopen decennium trekken, kunnen we dus niet uitsluiten dat de woede en walging over eerst Fortuyn en nu Wilders wordt gevoed uit meer bronnen dan alleen oprechte politieke afkeer en zorg om de democratie of ‘de natie’. Evenmin kunnen we uitsluiten dat eigenbelang een belangrijke rol speelt.

Zoals bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille hebben aangetoond in hun boek Diplomademocratie en socioloog Imrat Verhoeven in zijn studie Burgers tegen beleid: een analyse van dynamiek in politieke betrokkenheid, hebben hoger opgeleiden andere politieke voorkeuren en andere belangen te verdedigen dan lager opgeleiden. Omdat de top van de babyboomers wel elite is, maar geen elite wil heten en dus ook geen verantwoordelijkheid hoeft te dragen, gaan deze verdedigingsmechanismen niet gepaard met een daadwerkelijk nieuw beschavingsoffensief, maar met aloude sociale mechanismen van in- en uitsluiting.

In de bundel De zieke natie, over de medicalisering van de samenleving tussen 1860 en 1914, beschrijft cultuurhistoricus Arnold Labrie hoe de volksmassa rond 1900 door menig medicus en bezorgde burger werd vergeleken met een leger micro-organismen dat het lichaam van binnenuit aantastte. Het lichaam was in deze metafoor vanzelfsprekend de nog gezonde burgerlijke samenleving.

In het afgelopen decennium zien we soortgelijke opvattingen en mechanismen. Er is bijna een obsessie met hygiëne. Hoger opgeleiden houden zich slank, roken niet en kijken naar de publieke omroep en niet naar de ‘onfrisse’ commerciëlen. Opvallend bij deze drang tot onderscheiding, of verkapte belangenstrijd, is de populariteit van boeken over het brein en de genetica.

Net als in de periode rond 1900 zien we in de afgelopen decennia het patroon van razendsnelle, neoliberale moderniseringsprocessen en internationalisering en als tegenmaatregel – om al die vrije consumerende mensen in die vrije markt toch nog in het gareel te houden – een toenemende disciplinering van het gedrag in de publieke ruimte, zowel van de kant van de overheid als van de gezeten burgerij, die nu de klasse der hoger opgeleiden heet.

De 30 procent hoger opgeleiden bezitten de staat. De overige 70 procent bezit de straat. Bij alle doorzettende segregatie levert dit, net als rond 1900, een beeld op van getatoeëerde verloedering – de overheid spreekt officieel van „verhuftering” – die tot staan moet worden gebracht.

Zo is het Nederlandse strafklimaat binnen enkele decennia omgevormd van een humaan systeem tot een van de strengste systemen in Europa. De ‘moet-kunnen’-mentaliteit, uit de tijd dat de babyboomgeneratie zelf jong was, is omgeslagen in een steeds meer puriteinse moraal. Dit is overal terug te zien – van de seksuele zeden tot het gebruik van alcohol, tabak en drugs.

Voor de parlementaire geschiedschrijving zou het goed zijn om het stemgedrag van de partijen ‘ter hoger’ en ‘ter lager’ zijde, meer dan tot op heden het geval is, te bezien vanuit het perspectief van de klassenmaatschappij en de praktische segregatie die tezamen Nederland kenmerken. Zo bezien lijkt het kabinet-Rutte vooral op te willen komen voor lager opgeleide ‘boze burgers’.

Wat betreft ‘de kloof’ tussen hoger en lager opgeleiden in het parlement – sinds de verkiezingen van vorig jaar zijn negen van de tien parlementariërs hoger opgeleid, meer dan ooit tevoren – zouden de voorstanders van quota voor ‘vrouwen aan de top’ kunnen overwegen of het niet mogelijk zou zijn om quota in te stellen voor lager opgeleiden in het parlement en andere bestuursorganen.

Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit artikel is een bewerking van het artikel ‘De nieuwe klassenstrijd’ uit het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2011. Dit boek is vorige week aangeboden aan Gerdi Verbeet, voorzitter van de Tweede Kamer.