Om iets zinvols te doen

Bij Conny werd een hersentumor ontdekt.

Ze besloot een nier af te staan. „Dan komt er ook iets positiefs voort uit mijn ziekte.”

De grootste kick, zegt Conny, is dat ze zo snel is hersteld van de operatie. Dat nu blijkt hoe sterk ze is. Gemiddeld voelen mensen zich pas na zes weken weer ‘de oude’ na de verwijdering van een nier. Zij had dat gevoel al binnen drie weken.

Juist in haar omstandigheden is dat bevredigend. Conny heeft een hersentumor. Een langzaam groeiende, die in een ‘neurologisch stil gebied’ zit, waardoor ze er niks van merkt. Maar hij zit er. Vier jaar geleden werd hij ontdekt en hij zal er naar verwachting voor zorgen dat ze niet heel oud wordt.

En nu heeft ze een nier afgestaan om het leven van een ander te redden. De hele ingreep – zwaarder en pijnlijker dan ze dacht – heeft ze glansrijk doorstaan. „Geen tumor die mij klein krijgt”, zegt ze lachend.

Conny is een hartelijke vrouw van 47, moeder van drie jongens. Ze maakt voortdurend grappen waar ze hard om moet lachen. Ze studeerde archeologie en belandde 22 jaar geleden met haar man in het Zeeuwse stadje Veere, waar ze een huis hebben dat is gebouwd in 1470. Met een echte bedstee, een middeleeuwse schouw, hoge plafonds. „Niet relevant voor het artikel!”, roept Conny en dat is waar.

Conny had een prettig bestaan. Ze was lerares geschiedenis op twee scholen in het westen van Noord-Brabant, werkte voor een uitgeverij én volgde een opleiding. Ze was ook actief in de lokale politiek.

Ze droeg altijd al een donorcodicil en vindt het onvoorstelbaar dat de meeste mensen geen codicil hebben. „Je kunt er levens mee redden.”

Maar vier jaar geleden kreeg ze een epileptisch insult. Tests in het ziekenhuis wezen uit dat ze een hersentumor had. Er volgde een reeks onderzoeken en bezoeken aan artsen.

Ze onderging meteen een operatie die de tumor bijna helemaal weghaalde. Dat was november 2007. „Ze zeiden dat ik zeker nog vijftien jaar zou kunnen leven en dat hij pas over vijf jaar weer zou gaan groeien.” Maar ze voelde zich uit het veld geslagen. „Mijn leven ontglipte me, ik had nergens meer vat op.” Ze raakte haar baan kwijt, haar werk in de lokale politiek werd te zwaar. De kinderen van haar zussen kregen verkering, werden groter. Haar eigen kinderen zaten nog op de middelbare school. „Ik dacht: ik móét ze zien slagen.”

En toen hoorde ze van het anoniem doneren van nieren. „Dat vond ik wel bij mij passen. Dan doe ik weer iets zinvols, iets vanuit mijn kracht. En er komt dan iets positiefs voort uit mijn ziekte.”

Ze vond het idee aantrekkelijk: op de afdeling neurologie van het ziekenhuis was ze een ziek geval, een slachtoffer. Maar een verdieping lager was ze, bij wijze van spreken, opeens kerngezond. Ze informeerde bij haar behandelend arts of het haar gezondheid niet zou schaden; dat had ze de familie moeten beloven. Ze onderging alle tests en tekende op een dag in april 2009 de ‘informed consent’ voor donatie.

Een paar dagen later bleek bij het halfjaarlijkse medisch onderzoek, dat de tumor in haar hoofd alweer groeide. Veel eerder dan gedacht. Er volgde verdriet, een operatie, teleurstelling, bestraling en ten slotte een depressie. Het donorplan werd stopgezet.

Toen ze een half jaar later uit de depressie klom, wilde ze nog steeds een nier afstaan. „Die behoefte bleef sterk. Het heeft met mijn christelijke levenshouding te maken. Je leeft niet alleen voor jezelf, maar je bent onderdeel van een geheel.”

Onlangs is het gebeurd: op een dag werd ze gebeld dat ze veertien dagen later geopereerd zou worden. Terugkrabbelen was geen optie meer, want er was een ontvanger gevonden. Een week lag ze in het ziekenhuis, de napijn viel tegen. Maar na twee weken kon ze alweer naar de fitness.