Leeftijd is maar getal

Haile Gebrselassie wint de Zevenheuvelenloop.

De atleet heeft astmatische klachten. Maar schrijf hem niet af voor de Olympische Spelen volgend jaar.

Vraag aan Haile Gebrselassie wanneer hij gaat stoppen en de 38-jarige Ethiopische langeafstandsloper zal je meewarig aankijken. Stoppen? Eventueel na de Olympische Spelen in Londen? Geen sprake van. „Zodra je het afscheid aankondigt, ben je al gestopt.”

De vele tegenslagen van de laatste twee jaar hebben het zelfvertrouwen van Gebrselassie niet aangetast. Althans, niet tegenover de buitenwereld. Hij presenteert zich nog steeds als de marathonloper die komende zomer in Londen goud op de Spelen kan winnen. Zo ook gisteren in Nijmegen, waar hij in het kader van zijn olympische voorbereiding de Zevenheuvelenloop liep. En won.

De explosie van snelle tijden op de marathon doet zijn kansen slinken. Dat realiseert Gebrselassie maar al te goed. Maar de olympische wedstrijd staat op zich. En Gebrselassie weet wat hij kan. Hij denkt op bijna veertigjarige leeftijd in Londen nog één keer de macht van de dominante Kenianen te kunnen breken. „Het is dan zomer”, zegt de tweevoudige olympisch kampioen op de 10.000 meter. „Dan ben ik altijd op mijn best.”

Een bewering die Gebrselassie op de marathons niet kan staven. Als hij bedoelt dat zijn tegenvallende resultaten van de laatste twee jaar mede aan de weersomstandigheden te wijten zijn, zou hij gelijk kunnen hebben. De belangrijkste stadmarathons zijn immers in het voor- en najaar. Maar feit is dat de Ethiopiër vorig jaar uitviel in New York, in een emotionele bui zijn afscheid aankondigde en daarop een dag later al weer terugkwam. Dit voorjaar moest hij vanwege een knieblessure afzeggen voor Tokio en dit najaar gaf hij door astmatische klachten op in Berlijn.

Zijn relatief hoge leeftijd hoeft geen beletsel voor de Spelen te zijn, beweert Gebrselassie. Hij verwijst naar zijn succesvolle landgenoten Mamo Wolde en Miruts Yifter, die al dik in de dertig waren toen ze olympisch kampioen werden. Wolde was 36 jaar toen hij in Mexico-Stad (1968) olympisch goud op de marathon won. En Yifter had dezelfde leeftijd toen hij zijn olympische titel op de 10.000 meter op de Spelen in Moskou (1980) veroverde.

Voor Gebrselassie, die ook een vastgoedimperium leidt, is leeftijd een getal. En een afscheid kondig je niet aan; dat regisseert zich vanzelf. „Er zijn mensen die vragen: ‘Loop je nog steeds? Ben je gek of zo?’ Nee, dat ben ik niet. Want mijn trainingen zijn al die jaren van hetzelfde niveau. Mijn probleem is het herstel. Eigenlijk moet ik na elke training rust nemen. Maar dat kan vanwege mijn drukke werk niet. Ik moet dan naar kantoor.” En dan lachend: „Maar ik heb alle bouwwerkzaamheden al afgestoten.”

Complicerende factor is dat Gebrselassie nog niet zeker is van deelname aan de Spelen. Hij had zich eind september in Berlijn willen kwalificeren, maar liet zich verleiden om mee te gaan in het hoge tempo van de Keniaan Patrick Makau, die het wereldrecord tot 2.03,38 zou aanscherpen. Als gevolg van het moordende tempo kreeg Gebrselassie last van zijn astmatische aandoening en moest opgeven. „Ik krijg nog hoofdpijn als ik aan die race terugdenk. Ik heb me een hoog tempo later opdringen, terwijl ik aan mijn olympische kwalificatie had moeten denken. Met mijn ervaring had ik beter moeten weten. Het is niet meer als voorheen, toen ik kon uitvoeren wat ik plande. Nee, het maakt me niet onzeker dat ik in de laatste drie marathons niet ben gefinisht. Dat had alle keren een reden.”

Om ‘Londen’ in zicht te houden loopt Gebrselassie eind februari de marathon van Tokio. Hij mikt op een tijd van 2.04,00 of 2.05,00, in zijn ogen toereikend om tot de drie snelste Ethiopische marathonlopers te behoren die naar de Spelen worden uitgezonden. Gebrselassie, hoopvol: „Misschien is 2.06,00 genoeg.”

Hij klinkt zelfverzekerd, ook al zegt hij door zijn astma nog maar 80 procent van zijn longcapaciteit te kunnen gebruiken – „het gevolg van al die jaren hardlopen op hoogte” – en beperkt te kunnen trainen wegens de slechte faciliteiten rondom zijn woonplaats Addis Abeba. „Ik train meestal in Entote, net buiten Addis, maar daar moet je tussen de rotsblokken en stenen laveren en riviertjes oversteken. Die omstandigheden brengen ons niet verder. Veel trainingen doe ik tegenwoordig op de loopband. En de Kenianen gaan steeds harder lopen, omdat het systeem daar wél is verbeterd.”

De spectaculaire tijden van de laatste tijd op de marathon brengt Gebrselassie niet in verband met doping. „Come on. Alle atleten weten hoe groot de kans is dat je gepakt wordt. Ik wil helemaal niet aan doping denken. Ik verdenk niemand. Een atleet die dope gebruikt kan een concurrent bedriegen, nooit zichzelf. Op een dag beseft hij dat zijn successen aan verboden middelen zijn te danken. Een afschuwelijke gedachte, lijkt me.”

In de aanloop naar de Spelen zal Gebrselassie zichzelf meer rust gunnen. Want dát is de sleutel voor succes. „Weet je waarom leeuwen zo snel zijn?”, vraagt hij met de hem zo typerende glimlach. „Omdat ze minstens twintig uur per dag slapen.”