Hoe goed gaat het met de nieuwe literatuur?

Twee bloemlezingen met verhalen van jonge Nederlandstalige auteurs zijn verschenen.

Ideaal om de thermometer van de literatuur op te meten.

Het ging goed met de literatuur in 1990. Toen hadden Jessica Durlacher, Peter Elberse en Joost Zwagerman (de toenmalige redactie van het literaire tijdschrift De held) het idee opgepakt om een keuze te maken uit nieuwe verhalen van jonge Nederlandse en Vlaamse schrijvers onder de titel 25 onder 35. Het was geen programmatische bundel maar een inventarisatie, en een poging ‘de literatuurgeschiedenis voor te zijn’. Ze namen als het ware de temperatuur op van de literatuur en achteraf kun je zien dat die er in 1990 niet slecht voorstond: van de 25 auteurs die in die bundel stonden, zijn er maar een paar vergeten, grote namen van vandaag – van Herman Brusselmans tot P.F. Thomése, Kristien Hemmerechts tot Thomas Rosenboom – zijn er nog.

Het zou ruim 15 jaar duren voordat de formule herhaald werd; in een bundel samengesteld door Annelies Verbeke en Said El Haji werden onder anderen Abdelkader Benali, Esther Gerritsen en Miquel Bulnes gepresenteerd – het is nog te vroeg om te bepalen wie er vergeten gaat worden, maar de eerste indruk is dat de oogst minder rijk is dan in 1990.

Nu is er weer één. Als bloemlezingen een thermometer van de nieuwe literatuur zijn, vermoed je dat de letteren wat grieperig zijn: Hassan Bahara en Thomas Blondeau (in de vorige bundel zelf nog een van de ontdekkingen) komen niet verder dan 20 onder 35. Daarover verantwoorden ze zich in hun inleiding. Ze wilden de vraag ‘voegen deze auteurs iets toe aan het bestaande’ met elk verhaal bevestigend kunnen beantwoorden. En meer dan hun voorgangers willen Bahara en Blondeau iets laten zien: een verzameling Vlaamse en Nederlandse ‘agents provocateurs’, de origineelste jonge schrijvers, en geen literatuur vol ‘verstilde boeken die op een uitgekauwde manier uitgekauwde thema’s behandelen’ – ze noemen geen namen.

En dan loont het de moeite om naar de woordwolk op basis van deze bloemlezing: Vrouw, moeder, elkaar, laatste, mensen, alleen: als je ze zo bij elkaar zet, lijkt het alsof de schrijvers zich allemaal in de liefde, de dood of hun jeugd aan het verdiepen zijn, schrijvend over eenzaamheid. Maar er staan ook maatschappelijke en politieke verhalen in. En dat zijn niet bepaalde de slechtste.

Dat het woordje ‘Jarno’ zo vaak terugkeert komt overigens omdat Nicole van Nierop in haar verhaal over een moederskindje de naam van haar personage erg vaak laat vallen. Het is niet zo dat we hebben hier met een bepaalde trend in het korte verhaal te maken hebben.

20 of 25 onder 35 is gebaseerd op het jaarlijkse fictienummer van The New Yorker dat de leeftijdsgrens iets ruimer maakt: 20 under 40 selecteren zij er, en wanneer je eenmaal in dat rijtje thuishoort weet je zeker dat je kostje voor de eerstkomende twee romans gekocht is. Vlaanderen heeft nu net zoiets, althans de NY-formule is iets nauwkeuriger gekopieerd: 20 onder 40 heet de bundel, samengesteld door Eva Bergmans en Harold Polis. Waar Bahara/Blondeau constateren: ‘het gaat goed met de literatuur’ beweren Bergmans/Polis ‘ze zeggen dat de literatuur dood is’. Hoe dan ook, het betekent in elk geval dat beide bloemlezingen getuigen van de levensvatbaarheid van literatuur, maar is dat dan ook alles?

Bloemlezingen hadden vroeger een andere functie dan die van staalkaart. In de poëzie veel meer dan in het proza, zeker wanneer ze werden samengesteld door jonge, ambitieuze dichters die hun selectie lieten voorafgaan door een inleiding, die meer wilde zeggen dan: dit vinden we goed, maar eerder: dit willen we zijn. Nieuwe geluiden van Dirk Coster in de jaren 30, de bloemlezingen van Atonalen en Vijftigers, Nieuwe griffels schone leien van Paul Rodenko: dit soort bundels verscheen om de wereld wakker te schudden en rijp te maken voor een nieuwe generatie, en als dat gebeurd was, maar niet eerder, gingen de schrijvers het belang van die groep relativeren en de individualiteit benadrukken.

Inmiddels doet men alleen nog aan groepjesvorming in de kroeg, op het podium of op facebook en twitter. Maar het idee dat schrijvers min of meer gezamenlijk zouden streven naar vernieuwing: het is het soort literatuurgeschiedenis dat ergens in de discussie tussen maximalen en nieuwe wilden in de stank van rotte vis ten onder is gegaan.

De woordwolk van 20 onder 40 bevestigt dat beeld: daar vind je ‘huis’, ‘man’ iets groter dan ‘vrouw’, ‘moeder’ wat aanweziger dan ‘vader’. ‘Nooit’ staat er prominent tussen, net als ‘eerste’ of ‘ogen’. Maar net als voor de 20 onder 35 bloemlezing geldt ook hier dat er geen rode draad is: verloren liefdes, de dood van naasten en soms wat engagement. Deze schrijvers zijn het vertellen voor zichzelf aan het ontdekken, stellen Bergmans en Polis terecht: ze hebben vertrouwen in eigen kunnen en dus hebben ze het ‘niet nodig om de traditie plat te branden’ en is er ook helemaal geen ‘pretentieus manifest’ nodig. Niets aan de hand, nieuwe namen, nieuwe vertellers, nieuwe verhalen, het komt wel goed met de Nederlandstalige literatuur. Kijk maar naar de woordwolk van dit stukje: schrijvers, nieuwe, literatuur, ambitieuze, goed: het zijn de woorden die eruit springen.

Thomas Blondeau en Hassan Bahara (sam.): Agents Provocateurs, 20 onder 35, Prometheus, 192 blz. € 18,95

Eva Bergmans en Harold Polis (sam.): 20 onder 40 De Bezige Bij Antwerpen, 304 blz. € 22,50