Het succes van rechts

In driekwart van de EU-landen is een rechtse regering aan de macht.

Dat komt onder andere door ideologische armoe binnen de linkse partijen.

„Mensen, noem elkaar geen mietje.

Eenmaal zing je allemaal.

Allemaal het ouwe liedje:

’t Is de schuld van ’t kapitaal.”

Dit refrein van een liedje van zanger/acteur/communist Leen Jongewaard dateert uit 1967.

Nu 44 jaar later zou De schuld van het kapitaal een hit kunnen zijn. Dat de banken- en schuldencrises in Europa een kapitaalscrisis is, staat buiten kijf. Het twistpunt is hooguit of het politieke bestuur voldoende heeft gedaan om de diepte van de crises te voorkomen. Net als de vraag of de burgers met hun goedkope hypotheken en andere leningen niet veel te veel hebben meegelift op het uitbundige bankwezen. Maar ook die nuance laat onverlet: het ligt in den beginne aan het kapitaal.

Toch laten de burgers zich anno 2011 nauwelijks nog door Jongewaard inspireren. Integendeel zelfs. Sinds de parlementsverkiezingen gisteren in Spanje is in driekwart van de Europese Unie christelijke of liberale regeringen aan de macht. Regeringen die al dan niet gedoogd of in het zadel worden gehouden door chauvinistische en zelfs xenofobe partijen.

Dat houdt in dat nog geen 30 miljoen EU-burgers van de totale 500 miljoen last, of plezier, hebben van linkse ministers. Behalve in Griekenland zitten er in geen enkel groot en middelgroot EU-land (met meer dan tien miljoen inwoners) nog sociaal-democraten in de regering. De enige middelkleine staten met een rood randje zijn Oostenrijk en Denemarken.

Zelfs in de landen waar links het afgelopen decennium een meer of minder ondergeschikte rol heeft gespeeld – en dus niet, zoals in Duitsland, Engeland, Spanje en Portugal, kan worden beoordeeld op recente regeringsdaden – staan sociaal-democraten (vooralsnog) buitenspel. Denk aan Frankrijk, Italië en Nederland. Daar namen links niet, of slechts enkele jaren, deel aan de regering.

Is het masochisme? Misschien.

Is het de wereld op zijn kop? Zeker niet.

Er zijn verscheidene verklaringen voor het paradoxale gegeven dat liberaal-conservatief Europa electoraal niet wordt gestraft voor de kredietcrises. En links er niet van profiteert. Die verklaringen hebben te maken met geschiedenis, politieke cultuur en nationale eigenheid.

In het voormalige Sovjetblok in het Oosten roept het woord socialisme andere gevoelens op dan in de vervlogen fascistische landen Italië, Spanje, Portugal en Griekenland in het Zuiden. In het rationele Noordwesten hebben politieke partijen een coherentere basis dan in het cliëntelistische Zuiden.

En er is uiteraard periodieke vermoeidheid. Na acht jaar wil de kiezer meestal wat anders. Zie ook Denemarken. Daar hebben de liberalen, die tien jaar regeerden met gedoogsteun van Wilders’ zusterpartij in september de macht moeten overdragen aan de sociaal-democraten.

In Nederland komt er nog een specifieke verklaring bij. Als het hier economisch slecht gaat, kiest het volk in meerderheid vaak niet voor linkse of experimentele antwoorden. Ook de arbeidsonrust neemt dan eerder af dan toe. De jaren dertig bieden daarvoor een statistische illustratie. Na de beurskrach van 1929 diende zich eerst een golf van heftige stakingen aan. Maar hierna, toen de crisis echt doorzette, werd het op de werkvloer echter rustiger (lees: moedelozer) dan ooit.

Maar los van deze nationale en culturele verschillen, zijn er twee overkoepelende verklaringen voor de verrechtsing in Europa. De eerst ligt in de aard van de crisis en zijn slachtoffers. De tweede gaat over de ideologische armoe binnen de linkse partijen.

De schuldencrisis is een crisis in de wereld van virtueel kapitaal. Ze is niet ontstaan in de reële industriële sector. Natuurlijk zijn er industrielanden die qua concurrentievermogen achterblijven (Italië) of vooroplopen (Duitsland). Maar de crisis lijkt niet op de vorige grote recessie van de jaren zeventig en tachtig.

Dertig jaar geleden moest de industriële sector worden ingekrompen, gerenoveerd of geïnnoveerd om de slag met de toenmalige Aziatische tijgers aan te kunnen. Dat werd indertijd ook electoraal zichtbaar. In Groot-Brittannië kwam de neoconservatieve Margaret Thatcher in 1979 aan de macht met de belofte dat ze de vermolmde vakbonden eens een lesje zou leren. In Frankrijk, Spanje, Griekenland en Portugal regeerden socialisten daarentegen voor het eerst sinds mensenheugenis. Duitsland en Nederland kozen in 1982 met Helmut Kohl en Ruud Lubbers voor de middenweg.

Bij al deze politieke verschuivingen ging het primair om één ding: arbeid. In Engeland ging het om de vakbonden, die door hun institutionele machtspositie talloze hervormingen van de industriële sector en arbeidsmarkt konden blokkeren. In mediterraan Europa draaide het juist om nooit ingeloste verlangens van de arbeiderspartijen, die tot dan een kwijnend bestaan hadden geleid of ronduit verboden waren geweest.

Maar overal draaide het om een hervormingsbeleid dat perspectief moest bieden aan burgers die nog in de bloei van hun leven waren en een half arbeidsbestaan voor zich hadden: kortom, aan de ruim bemeten naoorlogse geboortegolf. Er was een toekomst te redden, was het gevoel.

De crisis nu mist de simpele uitweg om met bezuinigen, loonmatiging en innovatie het pad omhoog te hervinden. De huidige crisis is primair een systeemcrisis die te ingewikkeld is voor eenvoudige oplossingen. Lang konden de burgers bovendien denken dat het hun crisis niet was. In Amerikaanse termen gezegd: de creditcrunch van 2008 was de crisis van Wall Street, niet van Main Street.

Inmiddels is de staatsschulden- en bankencrisis veel dichterbij gekomen. In Zuiden is de reële economie in het ongerede geraakt en verliezen burgers hun woning of werk. In het Noorden staan de seinen ook op ‘oranje’, om vicepremier Maxime Verhagen te citeren.

Eén ding is niettemin hetzelfde gebleven. De financiële markten hebben adres noch telefoonnummer. Maar hun macht is groot. De bulk van de kiesgerechtigde burgerij, inmiddels dertig jaar ouder dan tijdens de vorige crisis, is voor huisvesting en oudedagsvoorziening afhankelijk van diezelfde financiële markten. Of deze financiële markten niet ziende blind waren door geld te lenen aan Griekenland en Italië, dat doet er voor die kiezers niet zoveel toe. Het redden van hypotheek en pensioen is belangrijker dan het afstraffen van gemaakte fouten.

Met andere woorden: de kapitaalscrisis van nu is een crisis in de boezem van de middenklasse, van de burgerij die bij veranderingen meer heeft te verliezen dan te winnen. Potentiële verliezers zijn bijna nooit progressief. Hier profiteren de liberale en conservatieve partijen electoraal van.

Maar links maakt het hen wel erg makkelijk. PvdA-leider Job Cohen heeft dat vorige week vrijdag toegegeven in een lezing, die zaterdag in deze krant is gepubliceerd. Links heeft zich volgens hem neergelegd bij het liberale wereldbeeld dat elk mens, indien er sprake is van gelijke startkansen, uiteindelijk zelf verantwoordelijk is voor zijn succes en/of dalen. Links stuurt hooguit een beetje bij. Linkse partijen „zijn de dempers op een rechts ideaal”, aldus Cohen. De socialisten hebben – de tweede verklaring voor de anti-linkse dominantie in Europa – geen eigen politiek programma. In essentie is hun economische wereldbeeld liberaal.

Dat is al heel lang zo. Het politieke afscheid van leiders als Helmut Schmidt en Joop den Uyl (beiden in 1982) markeerde ook het einde van de ideologische zelfstandigheid van hun politieke stromingen.

De sociaal-democratie groeide daarna verder en onherkenbaar het liberale systeem in. Niks geen grote verhalen en verwachtingen meer. Het ging alleen nog om hervorming en beheer. Ook de partijen als massa-organisaties, een 19de eeuwse Duitse uitvinding, werden daaraan ondergeschikt gemaakt.

Zelfs de wetenschappelijke instituten, ooit bron van nieuwe ideeën over de welvaartsstaat, werden ontmoedigd vrijelijk na te denken. Twee namen volstaan ter illustratie: Tony Blair en Wouter Bos.

Is het dan gek dat hun arbeiderspartijen nu medeverantwoordelijk worden gehouden voor de kapitaalscrisis waarvan de hoog opgeleiden het minste last hebben? Is het opzienbarend dat hersticht oud links voor de lager opgeleiden, vertegenwoordigd door bijvoorbeeld de SP in Nederland en Die Linke in Duitsland, wel profiteert? Is het verwonderlijk dat her en der verzorgingsstaatchauvinisten als PVV en Ware Finnen in de gaten tussen links en rechts duiken?

Blijft dat ook zo?

Waarschijnlijk niet.

In heel Europa lijken de belangrijkste breuklijnen behoorlijk op elkaar. Alleen de diepte en de scherpte van deze kloven verschillen nog danig. Het gaat bijna overal om groeiende tegenstellingen tussen jong en oud, tussen hoog- en laagopgeleiden, tussen kosmopolieten en nationalisten, tussen migranten en xenofoben. De middengroepen raken daartussen klem te zitten.

Er komt dan ook een moment dat die spanningen zich in nieuwe politieke ambities manifesteren en invloed krijgen op de machtsverhoudingen. Aan de ene kant zullen die worden gevoed door de oudere burgers die de welvaartsstaat voor zichzelf willen houden, onder het motto dat ze ervoor hebben gewerkt en betaald en dat het hun tijd wel zal duren.

Aan de andere kant zal er aan de poorten worden gerammeld door een groeiende groep die ook haar deel wil opeisen. De jongeren of laaggeschoolden, die zijn aangewezen op de zogeheten ‘precaire arbeid’: de flexibele, perspectief-arme en onzekere baantjes bij fastfoodketens, beveiligingsfirma’s enzovoort. De burgers die zich, als ze maar een tikje lager geschoold zijn dan de ‘yuppen in de city’, geen koopwoning kunnen veroorloven.

Zal het in Griekenland en Italië relatief rustig blijven onder de non-politieke premiers Lucas Padademos en Mario Monti? Zet de Spaanse jeugd zijn tenten straks weer op de stadspleinen op?

Het zijn zomaar wat vragen. Maar de eerste ijkpunten kunnen nu al in de agenda worden gezet: de Griekse parlementsverkiezingen van 19 februari en de Franse presidentsverkiezingen 22 april 2012.

    • Hubert Smeets