En wie bewaakt de waakhond?

Jaap de Jong, pas hoogleraar journalistiek, waarschuwt voor het tanende vertrouwen in de pers. Meer tranparantie zou helpen. En: „Kennis van de retorica maakt je resistent tegen manipulatie.”

Perspolitie? Zodra de kritiek op de pers toeneemt, zullen politici sterker aandringen op regulering. Journalisten kunnen dus beter zelf aan hun betrouwbaarheid werken. Dat zegt Jaap de Jong (1961), hij werd deze maand aangesteld als hoogleraar Journalistiek en Nieuwe Media aan de Universiteit Leiden. De oratie die hij op 4 november uitsprak ging over het tanende vertrouwen in journalisten.

Kamerlid Dion Graus ( PVV) pleitte vorige week voor een ‘perspolitie’, naar aanleiding van een stuk over de dierenpolitie in De Pers. De Tweede Kamer moest volgens Dion Graus eens iets doen aan de „hufterigheid’’ en „schofterigheid’’ van de pers. De Jong: „Dat is zo’n voorbeeld. Nu zal dit weer overwaaien, maar als het om een ernstiger zaak gaat kan er wel opeens een Kamermeerderheid voor blijken te zijn. Er is een trend om veel restrictiever te worden naar media.”

Komt dit omdat er angst is voor kritische media?

„Dat krijg je als je de macht controleert. Er is geen politicus die als hij onder vuur ligt, zegt ‘Ha fijn, nu doen de media goed hun werk’.”

In Engeland wordt nu gesproken over meer controle op de journalistiek.

„Binnenkort komt daar de onderzoekscommissie met aanbevelingen naar aanleiding van het afluisterschandaal. Ze stellen, terecht de vraag ‘wie bewaakt eigenlijk de waakhond?’ Ik denk dat de conclusies heel pittig zullen zijn, dat er een roep zal zijn om meer controle vanuit de overheid. Het zal een heftige reactie teweeg brengen, ook in Nederland, daar wil ik niet geringschattend over doen. Er hoeft maar een grote zaak boven te komen waarin journalisten niet goed gehandeld hebben en die kan aangegrepen worden om media te willen disciplineren.’’

Is er sprake van een vertrouwenscrisis in de journalistiek?

„Als je naar de cijfers kijkt, valt het mee in Nederland. De Eurobarometer onderzoekt dat al lange tijd, het valt op dat men in Nederland meer vertrouwen heeft in de pers dan in landen als Engeland en de Verenigde Staten. Ongeveer zestig procent van de Nederlanders vertrouwt journalisten, terwijl de uitkomst van een Engelse studie twintig procent was. En dat zal er sinds het afluisterschandaal bij News of the World deze zomer niet beter op geworden zijn.

„Maar het is niet slim om te denken dat er niets aan de hand is, ook in Nederland kan dat vertrouwen snel geschaad worden, door excessen. In de emotiemaatschappij kan een eruptie over een schandaal snel ontstaan.

„De zaak van Telegraaf-journalist Martijn Koolhoven die nieuws verzon, is bijvoorbeeld schadelijk voor de hele journalistiek. Dat komt ook door hoe de Telegraaf ermee is omgegaan. De redactie heeft meer dan tien keer een uitspraak over hem van de Raad voor de Journalistiek (waar klachten over de journalistiek worden getoetst, red.) naast zich neergelegd. Hij werd pas ontslagen toen de zaak in andere media veel aandacht kreeg.’’

Er wordt soms een kwaliteitskeurmerk geopperd, om te laten zien dat een medium bepaalde journalistieke principes hanteert. Is dat zinnig?

„Wat de Raad voor de Journalistiek doet, een leidraad voor journalistiek handelen, is misschien geen perfect instrument, maar het is een goed begin. Er is eigenlijk geen alternatief. Het is verstandig dat media bereid zijn om mee te werken aan klachtenprocedures, ruimhartig durven rectificeren. Als je er niet tegen kunt, roep je het over jezelf af dat de beroepsgroep nog lager wordt geacht. De technologie biedt ook mogelijkheden, omdat je online veel makkelijker kunt reageren.’’

Welke rol speelt internet bij het vertrouwen in de journalistiek?

„Een dubbele rol. Iedereen kan betrekkelijk makkelijk een groot publiek bereiken. Traditionele media wijzen nog altijd graag op het gebrek aan liefde voor feiten bij de snellere berichtgeving op internet. Veel gebeurt anoniem, gaat vooral om emoties er en zijn vooral veel meninkjes, wordt er dan gezegd. Voor een deel is die kritiek terecht. Maar tegelijk is er geen plaats waar de reinigende werking van kritische volgers zo snel gaat als op internet. Foutieve berichten verspreiden zich snel, maar worden ook sneller doorgeprikt. Er is altijd wel iemand die meer weet van een onderwerp. Zenders van boodschappen denken nu dus ook eerder, kunnen we hiermee wegkomen?’’

Journalisten lijken niet uit te blinken in zelfreflectie. Weinig media hebben een ombudsman en als die er is, verdwijnt hij meestal weer na ruzie.

„Dat is ook wel te begrijpen. Het is niet leuk om gecorrigeerd te worden, zeker omdat het vaak niet zachtzinnig gebeurt, er wordt snel op de man gespeeld. Ik heb twintig jaar ervaring als redacteur bij Onze Taal, daar reageren vaak geweldig ontspannen types, maar er komen ook reacties met een zeer vervelende toon. Echt onaangenaam.

„Overigens is er ook vaak waardering voor journalisten, dat ze vragen durven te stellen aan machthebbers, zich niet laten intimideren, dat ze soms dapper zijn en mooie verhalen schrijven. Er zit iets in het beroep waar mensen reserves bij hebben en iets wat ze waarderen.’’

De Jong is van huis uit retoricus. Journalisten kunnen volgens hem veel leren uit de redenaarskunst, vooral om te doorzien hoe bronnen retoriek inzetten. Dat wil hij zijn studenten bijbrengen. „Met kennis van retorica bouw je een hogere manipulatieresistentie op. De kern ervan is dat de feiten op zichzelf niet eenduidig zijn, maar altijd afhankelijk zijn van de interpretatie van de zender. En dat elke zender, ook de zogenaamd objectieve journalist, technieken inzet om zijn versie zo overtuigend mogelijk vorm te geven.”

Wil het publiek nog wel iets wil aannemen van een journalist? Het verhaal van een expert lijkt tussen alle stemmen ook maar een mening.

„De resistentie voor manipulatie die ik studenten wil leren, hebben burgers ook steeds meer. Je zag dat onlangs bij de voorlichting over de inenting tegen baarmoederhalskanker, moeders namen niet zomaar iets aan van wetenschappers, ze hadden zich er zelf ook in verdiept en er zich een mening over gevormd. Om dan overtuigend te zijn, is heel moeilijk. Arrogantie hoort er zeker niet bij, je moet bereid zijn je werk telkens weer toe te lichten.

„Na de dood van Bin Laden zag je dat sommige nieuwsmedia expliciet berichtten over de complottheorieën die ontstonden, om te laten zien hoe dat werkt. Dat is een volwassen manier. Je poetst niet meer de rafelranden en onzekerheden weg en zegt: zo zit het. Nee, je geeft aan waar je eigen onzekerheden zitten. Dat kweekt ook een kritisch publiek dat zich een eigen mening wil vormen.’’