Een te gezellige film over oude hoeren

Op het IDFA leek het dit weekend alsof het de buitenlandse filmmakers zijn die inhoudelijk het gevaar opzoeken. Hun Nederlandse collega’s tonen een voorkeur voor gemoedelijke esthetiek.

NOVUM09:PREMIERE OUWEHOEREN:AMSTERDAM;20NOV2011-Martine (links) en Louise Fokkens doen een dansje voor het Tuchinski theater. Tijdens de IDFA is de film Ouwehoeren - Meet the Fokkens in premiere gegaan. De film gaat over de tweelingzussen Louise en Martine Fokkens die al vijftig jaar op de Wallen meedraaien.Novum/bdm/str.Bas de Meijer Novum BAS DE MEIJER

Hebben Nederlandse documentairemakers wel voldoende de ambitie om schrijnende en belangrijke onderwerpen aan de orde te stellen? Er zijn momenten op het documentairefestival IDFA, dat nog een week duurt maar dit weekeinde zijn drukste dagen beleefde, dat je je dat kunt afvragen.

Neem Ouwehoeren van Gabriëlle Provaas en Rob Schröder, een knus portret van twee oudere Amsterdamse prostituees. Het is geen onvermakelijke film, al zijn af en toe wel erg nadrukkelijk lollige situaties in scène gezet. Het belangrijkste probleem is de tendens: vroeger was het op de Wallen veel gezelliger, de moderne prostitutie is een harde business geworden, waarbij vrouwenhandel steeds op de loer ligt. Je vraagt je af waarom de filmmakers, of hun opdrachtgevers die moderne prostitutie – die op een steenworp afstand van het IDFA een belangrijk bestuurlijk probleem vormt – dan niet tot uitgangspunt van hun film hebben genomen, of hebben afgezet tegen de wereld van hun vertederende hoofdpersonen. Werd dat te ongezellig voor de Teledoc voor een groot publiek die Ouwehoeren is?

Het kán wel, een relevante film over prostitutie maken, blijkt op het IDFA. De Duitse cineast Michael Glawogger filmde zijn Whores’ glory in de bordelen van Thailand, Bangladesh en Mexico. De film is visueel zeer sterk en gespeend van elk moralisme. Hij laat de kijker in verwarring achter: wie is er het meest te beklagen, de vrouwen met hun onterend beroep zonder perspectief, of de mannelijke klanten die blijven geloven in hun droom van lust en liefde?

Het is natuurlijk mede het gevolg van de keuzes van de IDFA-directie en de dagen waarop films draaien, maar soms leek het dit weekeinde op het IDFA alsof vooral buitenlandse filmmakers inhoudelijk het gevaar opzoeken, terwijl hun Nederlandse collega’s een voorkeur hebben voor gezellige esthetiek.

In Sarah Palin – You Betcha! volgt de Brit Nick Broomfield hinderlijk de gevierde Amerikaanse politica, die een wraakzuchtig kreng blijkt. De Deense Lise Birk legt in Putin’s Kiss de zeer bedenkelijke methoden van de jeugdbeweging van de toekomstige Russische president bloot. De Amerikaan Steve James volgt in The Interrupters vrijwilligers die in Chicago verwoede pogingen doen tussenbeide te komen in bendeoorlogen. De Rus Vitali Manski legt in Motherland or death met quasi-naïeve registraties van het dagelijks leven het volstrekte morele failliet van het Cubaanse socialisme bloot. De Canadese Léa Pool veegt in Pink Ribbon Inc. de vloer aan met ideologie en opzet van de beweging tegen borstkanker in Amerika.

Naast deze hard hitting krakers maakten veel Nederlandse premières op het IDFA een haast verstilde indruk. The Sound of the Bandoneon van Jiska Rickels, waarvan de première werd bijgewoond door kroonprins Willem-Alexander en Máxima, is een onderhoudende, prachtig gefilmde muziekfilm zonder veel verhaal. In het aardige About Canto van Ramon Gieling vertellen mensen over hun associaties rond de compositie Canto Ostinato van Simeon ten Holt – mooi, die aandacht voor hedendaagse Nederlandse muziek.

Een pijnlijke mislukking bleek het langverwachte Paradiso, an Amsterdam Stage Affair van Jeroen Berkvens: een willekeurig ogende opeenvolging van fragmenten van concerten, vertoond in splitscreen en afgewisseld met loze kreten. De grote film over de betekenis van de beroemde poptempel, die in tegenstelling tot die van Berkvens ook ingaat op het publiek van Paradiso, moet dus nog gemaakt worden.

Toegegeven, ze waren er wel, Nederlandse documentaires die ingaan op de vragen van deze tijd of de grote boze buitenwereld. Je moest er alleen even naar zoeken. In Alles van waarde loopt Frans Bromet op de hem typerende intieme, autobiografische wijze achter zijn dochter aan, mopperend op de ‘macht van de managers’ die alle moois naar de donder helpen. En passant worden er een paar harde noten gekraakt, zowel over managers als over het onbegrip waarmee ouders soms naar het handelen van hun kinderen kijken.

De uit de reclamewereld afkomstige Klaas Bense verraste met One fine day, een internationale reeks portretten van mensen die in actie zijn gekomen om de wereld te veranderen en daar in meer of mindere mate in geslaagd zijn – zeker geen perfecte film maar de verbeten inzet van de filmer maakt veel goed.

Painful painting van Catherine van Campen begint als een betrekkelijk conventioneel televisieportret van de schilder Ronald Ophuis, die gespecialiseerd is in het schilderen van oorlogsmisdaden en andere gruwelen. Omdat Ophuis de plaats van de misdaad bezoekt, een fotoreconstructie maakt van een verkrachting in Sierra Leone en je van zijn motivatie ook niet vrolijk wordt, ziet de kijker zich al vlug akelig direct met de wandaden zelf geconfronteerd.

Gelukkig zijn er op het IDFA ook films die in geen enkele categorie passen. Jeanette Groenendael maakte met Reformation een verleidelijk en woest beeldessay over een dorp in de Bommelerwaard, vol stugge calvinisten en seks bij mens en dier.

Op een door het Mediafonds georganiseerd forum over documentaire in tijden van bezuiniging pleitten Nederlandse filmmakers voor het behoud van de filmmaker als ‘auteur’, tegen opdringende opdrachtgevers die meer rendement in de vorm van actualiteit of vermaak eisen. Goed idee – maar niet als het leidt tot kunstzinnige wereldvreemdheid.

    • Raymond van den Boogaard