Begraven door Franse artillerie

Een eeuw na de Eerste Wereldoorlog stuitten Franse archeologen op een gaaf stukje van het Elzasfront. Een Duitse schuiltunnel met 21 dode soldaten.

Het is koud en mistig als Michael Landolt van de interregionale archeologische dienst PAIR ter plekke uitleg geeft. We staan even ten westen van Altkirch, in de Elzas. „Uit Duitse bronnen wisten we dat in de buurt een schuiltunnel moest liggen die in 1918 door een Frans bombardement is getroffen. Twee jaar geleden zijn we al met geofysische apparatuur op zoek geweest, maar toen hebben we niets gevonden. Nu, bij de voorbereidingen voor de omleiding van een provinciale weg, zijn we op de tunnel gestuit.”

Welgeteld 93 jaar na hun gewelddadige dood zijn 21 Duitse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog door Franse archeologen opgegraven. Gisteren is voor hen, in aanwezigheid van de Franse staatssecretaris voor Defensie en Oud-Strijders en Franse en Duitse militairen, in Carspach en Altkirch een ceremonie gehouden. Die besloot de vorige week afgeronde opgraving van de nabijgelegen Kilianstollen, zoals de schuiltunnel, waarin de soldaten zijn omgekomen, heette. De opgravingen hebben, behalve de 21 stoffelijke overschotten, veel spectaculaire en goed geconserveerde vondsten opgeleverd.

Duitse historische bronnen als kaarten, bouwtekeningen en bouwrapporten maken duidelijk dat de Stollen in 1916 is gebouwd. „Gedurende zes dagen in de week. Zondag was een rustdag”, vertelt Landolt. „De tunnel was uiteindelijk 125 meter lang, 1,10 meter breed en 1,70 meter hoog. Hij lag precies achter de frontlinie en bood een schuilplaats aan 500 man.” Hij wijst op de opgegraven trappen aan weerszijden van de tunnel. „Aan deze kant waren de in- en uitgangen; de trappen aan de andere kant leidden naar de voorste linies met loopgraven. In totaal waren er veertien.” Behalve als schuilplaats diende de Stollen ook om ongezien vanuit de lucht troepen dichtbij de frontlijn te verzamelen.

De tunnel lag op drieënhalf tot zes meter diepte, zegt Landolt. „Als een mijngang.” Alle wanden en vloeren waren met hout bekleed. De vloer liep lichtjes af, richting in- en uitgangen. „Om het water af te voeren. Bij de in- en uitgangen stonden ook waterpompen.” Even verderop staat een verroeste, op hout gestookte kachel, die voor de verwarming zorgde. „Ze hadden ook elektriciteit en telefoon.” Op verschillende plekken in de tunnel staan nog britsen met verroeste bedspiralen. „De soldaten sliepen in stapelbedden.”

Als Landolt ook nog een goed geconserveerd houten talud heeft laten zien, waarlangs materialen in de tunnel neergelaten konden worden, kan hij het niet laten de vergelijking te maken: „Het is net Pompeii.”

De ramp voltrok zich hier nadat de Duitsers op 18 maart 1918, tussen 6 en 9 uur ‘s ochtends, een grootscheepse gasaanval hadden ingezet. Landolt: „Als afleiding voor het begin van een groot offensief in het Noord-Franse Picardië.”

De Fransen beantwoordden de aanval tussen 12 en 6 uur ’s avonds met zwaar geschut. „Ze richtten op de abri’s, kleine schuilplaatsen, waarvan ze het bestaan wisten. Van de Kilianstollen wisten ze niets.” Door drie inslagen raakten over een lengte van zestig meter 34 soldaten bedolven. „Het lukte om dertien lijken naar boven te halen. De rest konden de Duitsers door gebrek aan de juiste technische apparatuur niet bereiken. Als herinnering plaatsten ze ter plekke een houten gedenkteken.”

Op twee plaatsen is duidelijk te zien hoe aan één kant van de tunnel de houten wand naar binnen is geklapt. Hier troffen Landolt en zijn mannen respectievelijk negen en twaalf stoffelijke resten aan. Sommigen zaten nog keurig op een rij naast elkaar. Hun uniformen, laarzen en persoonlijke bezittingen, zoals naamplaatjes, brillen, pijpen, een rozenkrans en portemonnees, zijn goed bewaard gebleven. Landolt: „De Stollen is later door een ander regiment gebruikt. Zij hebben aan de uiteinden van het ingestorte gedeelte twee betonnen muren aangebracht; waarschijnlijk tegen de lucht van de ontbindende lijken.”

Na de opgraving zullen specialisten het gebruikte berkenhout en de skeletten onderzoeken. „Als het hout uit Duitsland komt en al vóór 1914 is gekapt, was de oorlog lang van te voren gepland. Het skeletonderzoek vertelt mogelijk meer over de gezondheid van de Duitse soldaten aan het einde van de oorlog.” Na dat onderzoek zullen de skeletten worden overgedragen aan de Duitse oorlogsgravendienst. Die zal proberen de resten te identificeren en eventuele familie op te sporen.

    • Theo Toebosch