Willem-Alexander, de carrièrekoning

Kroonprins Willem-Alexander staat ten onrechte vooral bekend als de simpele Prins Pils. Hij is wel degelijk ambitieus.

Het koningschap ziet hij niet als ‘roeping’, maar als ‘loopbaan’. Deze carrière geeft hij zelf vorm, schrijft Daniela Hooghiemstra.

Koningin Beatrix en prins Willem-Alexander zijn dikwijls afgeschilderd als tegenpolen. De één werkt hard, de ander viert feest. De één is erudiet, de ander wat onnozel. De één is ambitieus, de ander liever lui dan moe. De laatste jaren heeft Willem-Alexander zichzelf gemanifesteerd als een bevlogen ambassadeur van het waterbeheer, de olympische sport, het klimaat en de ICT. Maar het oude prinspilsimago is hem toch blijven aankleven.

Uit opinieonderzoeken komt steevast naar voren dat het publiek een hogere pet op heeft van zijn ‘invloedrijke’ moeder en van zijn vrouw dan van Willem-Alexander zelf. Dat hem weinig slagkracht wordt toegedicht, berust op een misverstand dat hij zelf heeft laten ontstaan, door zich jarenlang nogal laconiek uit te laten over het koningschap. „Ik denk dat als ik gewoon Alexander Jansen was geweest, ik veel banen had gehad”, zei hij in 1985 tegen Renate Rubinstein. „Ik houd van afwisseling.” Acht jaar later zei hij tegen Ed van Westerloo: „Op een gegeven moment aanvaard je je toekomst en verzet je je er ook niet meer tegen.” En in datzelfde interview: „Zo perfectionistisch als mijn moeder, dat zijn er maar weinig. Dat probeer ik ook niet na te streven.” Het waren geen uitspraken die getuigen van een brandend verlangen om in zijn moeders voetsporen te treden, maar moest hieruit worden geconcludeerd dat Willem-Alexander niet ambitieus was?

Het tegendeel is eerder het geval. Nog voordat iemand wist wie hij was en wat hij kon, lag al vast dat Willem-Alexander koning zou worden. Dat hij dit ‘kraamcadeau’ aanvankelijk aarzelend en met enige scepsis accepteerde, duidt op vertrouwen in zijn eigen kwaliteiten. Het mocht dan wel vastliggen dat hij ooit koning zou worden – hoe het eruit zou komen te zien, moest nog bepaald worden en wel door hemzelf. Hiervoor was tijd nodig en vooral emancipatie. „Ik wilde het huis uit. Ik wilde weg”, zei hij over het besluit om zijn middelbare school af te maken in Wales. Over zijn studiekeuze zei hij: „Als ze rechten verwachten, zou ik bij wijze van spreken natuurkunde kiezen, alleen om te laten zien dat ze het niet bij het rechte eind hebben.”

Willem-Alexander wilde niet het pad volgen dat zijn moeder voor hem baande. „Ik ben mijzelf”, zei hij in 1997 tegen Paul Witteman. „Ik zou geen enkele eigenschap van haar willen overnemen.” Daarom moest hij zich voorlopig ook distantiëren van het koningschap dat haar levenswerk was en daarmee tevens een beetje van Nederland. „En het is natuurlijk wel mooi”, gniffelde hij in 1993 toen hem werd gevraagd naar het moment waarop hij koning zou worden, „want alle schepen moeten overgeschilderd worden, de ambassades moeten hun briefpapier vervangen, dus dat is in het bezuinigende Nederland nog een ander probleem erbij.”

Die ‘lekker puh’-houding klinkt door in veel van zijn vroegere uitspraken, maar het verzet tegen „het opperhoofd in de grote wigwam”, zoals Willem-Alexander zijn moeder ooit noemde, betekende niet dat hij zichzelf een gewone jongen vond of dat hij zichzelf niet beschouwde als toekomstige koning. Als Nederland en zijn moeder rechtdoor gingen, moest Willem-Alexander alleen een zijweg in.

Niet voor niets ondervond hij vaak steun van zijn vader, Claus, die ook „altijd tegengeluid” liet horen. Niet voor niets noemde hij zijn oom, Pieter van Vollenhoven – jarenlang dissident in het Oranjehuis – een „tweede ouder”, met wie hij altijd „belangrijke beslissingen” in zijn leven doornam. Willem-Alexander wilde niets „hebben vastliggen” in zijn leven, zei hij. „Je wilt toch zelf je weg vinden.”

Hij wilde koning worden op zijn manier. Daarmee leek hij meer op zijn moeder dan hij zelf misschien vermoedde. Zij had de verrichtingen van haar moeder destijds ook met enige scepsis gevolgd en besloot later ook om alles anders te doen.

Opgaan in de burgermaatschappij ging Willem-Alexander minder goed af dan werd verondersteld. Tussen de studenten van het Leidse studentencorps kon hij bijvoorbeeld nooit goed aarden. In het Leidse studentenblad Mare beklaagde hij zich over het „bekrompen milieu” dat hij aantrof. Mensen die „niet meer hadden gezien dan hun ouderlijk huis, de middelbare school en een hockeyclub” probeerden hem te vertellen „hoe de wereld in elkaar zat”. Hij, die al in Wales had gewoond, zijn vliegbrevet had gehaald en die met de marine over de hele wereld gevaren had.

De marges om zelf de weg naar het koningschap te vinden, waren klein. Door afstand te nemen van de publieke plicht die hem wachtte, ontstond het imago van de onnozele bierdrinker, terwijl hij zich tussen die bierdrinkers helemaal niet zo op zijn gemak voelde. Vliegen was een manier om te ontsnappen. „Als je je hoofd vol met problemen hebt, is het goed om even de lucht in te gaan”, zei hij over die hobby. Achter de stuurknuppel had hij bovendien de „volle verantwoordelijkheid”. „Als ik op een foute knop druk”, zei hij in 1997 tegen Paul Witteman „is er geen mens die dat rechtzet”.

Pas na zijn studie kon hij die bestuurlijke ambitie elders kwijt. Hij volgde het advies van zijn vader om zich te richten op waterbeheer. „Een van de beste adviezen uit mijn loopbaan”, noemde hij dit in 2010.

Willem-Alexander, zo onthult dit citaat, ziet het koningschap als een carrière. Door zijn lidmaatschap van het Internationaal Olympisch Comité – dat hem van veel kanten werd afgeraden – door te zetten en over de hele wereld te reizen en lezingen te geven over water, heeft hij deze ‘loopbaan’ inmiddels vormgegeven. Hij heeft een vrouw gevonden die hem helpt – een pr-wonder waarvan niemand in Nederland terug heeft.

Dankzij Máxima kon Willem-Alexander en passant voldoen aan de hoofdvoorwaarde voor zijn erfelijke functie – nageslacht. Nu, 26 jaar na zijn opmerking over „Alexander Jansen” vloeit zijn persoonlijke ambitie samen met de taak die altijd al voor hem klaar lag. „Het is een uitdaging waar ik me zeker op verheug en waar ik het allermooiste van ga proberen te maken”, zei hij in 2007 tegen Pieter Jan Hagens. Dit gaat voor Willem-Alexander verder dan linten knippen. „Zonder inhoudelijke kant”, dreigde hij jaren geleden al, „zou het een stuk moeilijker zijn voor mij om te aanvaarden”. Hij probeert „af en toe ook de grenzen te zoeken, van: waar kunnen we veranderingen vinden?”, vertelde hij in 2007.

In de zalen waar hij spreekt, zit het publiek volgens hem „vaak met open mond” te luisteren. Hij wil resultaten zien, zo blijkt uit zijn lezingen en zo verkondigt hij steeds tijdens zijn werkbezoeken. „We moeten doorpakken” kreeg de directeur van een bureau voor gebiedsontwikkeling van hem te horen. „We zitten hier toch niet in de oude Sovjet-Unie?”

Aan allochtone jongeren die een studiereis naar Marokko hadden gemaakt, vroeg hij in 2005: „Wat heb je nou geleerd, wat ga je anders doen, wat is jullie follow-up?” Tegen de deelnemers aan een conferentie voor waterbeheer in Zuid-Afrika zei hij in 2002: „Denkt u er wel aan dat het eten waar wij vanavond tijdens dit diner van genieten, duizenden liters water gekost heeft om voor ieder van ons te worden klaargemaakt?”

Willem-Alexander mag het perfectionisme van zijn moeder dan niet kunnen evenaren – wat daadkracht betreft, steekt hij haar misschien wel naar de kroon. Al enkele malen heeft hij laten zien dat hij confrontaties niet schuwt. Bij de controverse over Máxima’s vader, de instelling van de mediacode en de aankoop van zijn vakantiehuis in Mozambique toonde hij weinig gevoeligheid voor de broze balans tussen publiek en privé die zijn erfelijke functie met zich meebrengt. Willem-Alexander is voor alles zichzelf. Het koningschap is voor hem geen roeping, maar een pad dat zelf moet worden gebaand, zonodig tegen de klippen op. „Ik ben niet van plan om met alle winden mee te waaien”, kondigde hij in 1997 al aan. De man die zichzelf „een manager” noemt, is klaar om koning te worden. Ministers kunnen hun borst nat maken.

Daniela Hooghiemstra stelde met Dorine Hermans de bloemlezing Ik mag ook nooit iets. Willem-Alexander in zijn eigen woorden samen, geïllustreerd door Ruben L. Oppenheimer. Het boek is deze week verschenen bij Meulenhoff.