Uri Rosenthal, minister van halve A4 'tjes

Een jaar is de vertrouweling van premier Mark Rutte nu minister van Buitenlandse Zaken. VVD’er Uri Rosenthal oogst met zijn eigenzinnige stijl tot dusver vooral wrevel.

Zijn ambtenaren horen het minister Uri Rosenthal zelf wel eens zeggen op het departement: „Ik ben niet diplomatiek.” De minister van Buitenlandse Zaken bedoelt het als een pre, de ambtenaren voelen vooral de afstand die eruit blijkt. Zo verraste Rosenthal ook de ambassadeurs van alle EU-landen die kort vóór de zomervakantie bijeenkwamen in Den Haag. De minister sprak als eregast de ambassadeurs toe. Nederland is een van de zes oprichters van de EU en Europa is het werkterrein van de ambassadeurs die in de zaal zitten. Wat zei Rosenthal? „Wij in Nederland zijn niet tegen Europa, wij zijn voor Europa vanwege de interne markt voor Nederlandse ondernemers en vanwege de grenscontroles.”

Uri Rosenthal (66, VVD) is nu één jaar minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet van zijn partijgenoot en vertrouweling Mark Rutte. Ondanks zijn ruime politiek ervaring – Rosenthal was bijna tien jaar lid van de Eerste Kamer en vorig jaar nog informateur in een formatie die leidde tot het minderheidskabinet van VVD en CDA – heeft hij het niet makkelijk op zijn departement. Ambtenaren noemen hem „stuurs”, vinden dat hij zich opstelt als een „professor”, dat hij „dicteert, en niet luistert” en dat hij de reputatie van Nederland als internationaal betrouwbare partner te grabbel gooit.

NRC Handelsblad heeft de afgelopen maanden met ambtenaren en diplomaten gesproken over het eerste jaar van minister Rosenthal. Opvallend: niemand oordeelde zonder meer positief over het eerste jaar. Een aantal weigerde een gesprek, uit angst voor de eigen positie. Een van hen: „Dat ik u niet te woord kan staan, vertelt het hele verhaal. Er heerst een cultuur van angst.” Tien personen bleven over, met hen is uitgebreid gesproken. Mensen die dicht bij de minister staan, op verschillende plekken in het departement werkzaam zijn of kennis hebben van de diplomatieke dienst.

Allereerst: Uri Rosenthal is geen traditionele bewindsman op Buitenlandse Zaken. Hij komt niet, zoals voorganger Ben Bot, zelf uit de diplomatieke dienst. Het ministerie was in de formatie ook niet in eerste instantie aan Rosenthal toebedacht, zeggen ingewijden. Een deel van de wrevel van de ambtenaren is daaruit te verklaren. ‘Buitenstaander’ Rosenthal probeert de macht van het ancien régime te breken.

Op belangrijke plekken in de organisatie geeft hij de voorkeur aan jongere mannen of vrouwen. Zo werd Casper Veldkamp (43), CDA’er en protegé van Maxime Verhagen, deze zomer benoemd tot ambassadeur in Tel Aviv, tot voor kort een haast onmogelijke positie voor een man van zijn leeftijd. Een vrouwelijke ambtenaar: „Rosenthal probeert jonge ambtenaren en vrouwen meer dan voorheen een kans te geven. Dat valt te prijzen, zeker in een masculiene organisatie als Buitenlandse Zaken.”

Regelmatig doorbreekt Rosenthal de hiërarchie op zijn ministerie. Hij verstaat zich het liefst met een betrokken ambtenaar zelf, ook als dat iemand onderaan de lijn is. Een diplomaat: „Die benadering heb ik voor het laatst gezien bij minister Jan Pronk in de jaren tachtig.” Zijn sparring partners bevinden zich vooral buiten het departement. Het zijn mensen als Jeroen van der Veer, oud-bestuursvoorzitter van Shell, en hoogleraar economie Victor Halberstadt. Vertrouweling op het departement is directeur-generaal Politieke Zaken Karel van Oosterom, VVD’er.

Van zijn ambtenaren wenst Rosenthal geen lange analyses; een briefing mag hooguit twee A4’tjes beslaan, met een samenvatting in maximaal een half A4’tje. De orders gaan ver, heel ver. Zo was een ambtenarendelegatie eind september in New York in de weer met een snijmachine om er zeker van te zijn dat Rosenthal zijn kernwoorden op het door hem gewenste formaat zou ontvangen. Ter plekke sneden ambtenaren de papieren voor de minister in het juiste formaat. „Het ergste”, zegt een diplomaat, „is dat hij onze briefings niet serieus neemt. Hij bepaalt zijn eigen lijn.” Een ambtenaar: „Hij neemt ons niet serieus en leest stukken niet. Ik zou me echt verkneukelen als hij om die reden struikelt.” Een ander, minder negatief: „Hij maakt keuzes die ik niet gemaakt zou hebben, maar hij is de politicus.”

Zijn eigenzinnige manier van leiding geven, door sommigen „arrogant” genoemd, oogst ook bewondering. Zoals iemand zegt: „Het zijn heel consequente keuzes en overtuigingen waar hij voor staat, hoeveel tegendruk hij ook krijgt.” Eén geïnterviewde, relativerend: „Klagen over de top is ook onderdeel van de bedrijfscultuur.”

In hogere mate dan zijn voorgangers definieert Rosenthal het buitenlands beleid vanuit het Nederlands belang. „Binnenland is buitenland en buitenland is binnenland”, pleegt hij tegen zijn ambtenaren te zeggen. Een diplomaat die regelmatig de minister spreekt: „Hij wil dat diplomaten zich bij alles afvragen wat Nederland er aan heeft. Rosenthal werkt voor de BV Nederland.”

Dat zorgt voor wrevel.

Het beleid van Buitenlandse Zaken was de afgelopen decennia juist sterk multilateraal georiënteerd. Nederland zette zich graag in om via een trans-Atlantisch bondgenootschap eensgezindheid bij multilaterale instituties te bewerkstelligen. En kreeg daar ook af en toe wat voor terug. Jaap de Hoop Scheffer (CDA) kon met steun van de Amerikanen secretaris-generaal van de NAVO worden; Nederland mocht onder premier Jan Peter Balkenende (CDA) aanschuiven bij de G20. Die tijden zijn voorbij.

De gedachte achter de „economische diplomatie” van Rosenthal is dat Nederland meer dan voorheen aan het eigenbelang denkt en daar ook van profiteert. Een ambtenaar: „Waarom lijkt hij een lager, minder ambitieus internationaal profiel wel best te vinden, in weerwil van andere adviezen?” Rosenthal zelf formuleerde dat eind oktober zo: „Het kabinet-Rutte is een pro-business kabinet. Niet een kabinet voor zakkenvullers maar voor economische groei en innovatie, voor het opkrikken van de werkgelegenheid hier en in het buitenland.”

Een ambtenaar: „Door de focus op economische diplomatie levert Buitenlandse Zaken zich steeds meer uit aan Economische Zaken. Daar maakt Verhagen [CDA-minister van EZ en Rosenthals voorganger op BZ] handig gebruik van.” Velen vinden het tekenend dat Maxime Verhagen zich bij zijn bezoek aan Israël in juni gedroeg als minister van Buitenlandse Zaken. De minister van Economische Zaken riep Israël op de vredesonderhandelingen met de Palestijnen te hervatten. De focus op economische diplomatie wordt ook wel gezien als een coup van Verhagen die op dat terrein de macht heeft gegrepen.

Of economische diplomatie ook succesvol is zonder de smeerolie van het diplomatieke contact, niet Rosenthals sterkste kant, is twijfelachtig. Voorzitter Bernard Wientjes van werkgeversorganisatie VNO-NCW vatte in de Volkskrant zijn kritiek op het kabinet-Rutte in één zin samen: „We zijn veel te veel bezig met het binnenland en veel te weinig met het buitenland.” In Nederland werkzame ambassadeurs van een aantal grote landen waarschuwden in NRC Handelsblad voor de gevolgen van die politiek. De naar binnen gekeerde houding van Nederland is gevaarlijk voor het Nederlandse internationale aanzien, zeiden zij twee weken geleden.

Rosenthal reageerde furieus op de opmerkingen van de ambassadeurs. In aanwezigheid van zijn diplomaten verzuchtte hij: „Kunnen we Paul Arkwright [de Britse ambassadeur] niet tot persona non grata bestempelen?” Het tekent, zeggen de meeste geïnterviewden, het karakter van de minister. Hij weet wat hij wil, kan moeilijk met kritiek omgaan, is „eigenwijs”, wil zelf „controle” en laat zich lastig adviseren.

Het maakt dat ambtenaren, zeggen ze zelf, „minder loyaal” worden. Ze hebben het gevoel dat Rosenthal geen respect heeft voor het ambt dat ze uitoefenen. Niet voor niets, menen zij, noemde hij het werk van ambtenaren in een interview „rustiek tijdverdrijf”. Dat zette kwaad bloed. Net als de aanstelling van een Raad van Wijzen, onder toezicht van Arthur Docters van Leeuwen, die de diplomatie moet hervormen. Een ingewijde: „Docters van Leeuwen is aangesteld om Rosenthal de mogelijkheid te geven ingrijpender te reorganiseren dan de top van zijn ministerie wil.” Vooral secretaris-generaal Ed Kronenburg zou de minister tegengas bieden en zijn ambtenaren in bescherming nemen.

Het ondiplomatieke karakter van Rosenthal blijkt ook uit de worsteling met collega-minister Hans Hillen (Defensie, CDA). Hoewel Rosenthal naar buiten toe ontkent dat er spanningen zijn is een telefoongesprek van 4 oktober illustratief. Rosenthal loopt over het Haagse Plein en belt, hoorbaar voor omstanders, met premier Mark Rutte. „Het moet nu echt afgelopen zijn”, aldus Rosenthal tegen Rutte. „Ik heb Hans (Hillen, red.) gezegd dat het afgelopen moet zijn met dat geklets vanuit zijn departement over Kunduz. Hij doet niets.” Militairen in de Afghaanse provincie Kunduz klaagden die weken over de gebrekkige voorbereiding van de politiemissie daar.

Ambtenaren op het departement zeggen terug te verlangen naar de voorganger van Rosenthal, de impopulaire Maxime Verhagen. Zoals een diplomaat zegt: „Verhagen zorgde er tenminste voor dat Buitenlandse Zaken nog wat voorstelde.”

Want dat is de hardste kritiek op Rosenthal: volgens diplomaten verslechtert de Nederlandse reputatie in het buitenland. „Daar worden wij dagelijks mee geconfronteerd”, zegt een van hen. „Nederland was internationaal een voorloper, die positie zijn we door rücksichtslos gedrag kwijt.”

Een kenner van de diplomatieke wereld zegt dat „de Nederlandse positie in het buitenland gemarginaliseerd is. Het buitenlandbeleid van Rosenthal is niet relevant, hij begrijpt het internationale spel niet.”

Daarbij noemen diplomaten vaak dezelfde voorbeelden. Het feit dat noch minister Uri Rosenthal, noch staatssecretaris Ben Knapen (CDA), aanwezig was bij de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan, terwijl Nederland zich daar jaren actief mee heeft bemoeid. Een diplomaat geërgerd: „Rosenthal vond het gewoon niet belangrijk.” Of de dood van de Nederlands-Iraanse Zahra Bahrami. Niemand wil suggereren dat Rosenthal daarvoor verantwoordelijk is – Bahrami werd ter dood veroordeeld voor drugssmokkel en later daadwerkelijk geëxecuteerd – maar ambtenaren zeggen wel dat hij de kwestie „volkomen onderschat” heeft.

De eerste tekenen van de tanende Nederlandse invloed deden zich voor bij de NAVO-top in Lissabon, november vorig jaar. Rosenthal was een maand minister en hij wilde een korte afspraak met zijn Amerikaanse ambtgenoot Hillary Clinton. Zij weigerde. Dat is niet vreemd. Nederland neemt onder het kabinet-Rutte een andere houding aan in de wereld. Onder het kabinet-Balkenende IV vocht het land mee in Afghanistan, mocht het een Afghanistan-conferentie in Den Haag organiseren en zelfs aanschuiven bij de G20.

Onder Rutte I bereidt Nederland een beperkte trainingsmissie in Afghanistan voor en is er geen zicht op nieuwe deelname aan de G20. Toen Rosenthal een paar maanden later een gepland bezoek bracht aan Washington, bleek het Amerikaanse enthousiasme over Nederland opnieuw bekoeld. Nederland wilde niet actief meedoen aan de militaire strijd tegen de Libische leider Gaddafi, een verzoek van de Amerikanen. Toen bleek dat Rosenthal alleen wilde praten over Israël en de Arabische wereld, beëindigde Clinton het gesprek en liep ze geagiteerd weg.

Nederlandse diplomaten bevestigen de Amerikaanse irritatie, maar wijzen ook op de lastige boodschap die Rosenthal in Washington moest brengen. Anderen weten het incident aan het „ondiplomatieke” optreden van de minister. Hoe slecht de boodschap ook was die hij moest brengen, minister Ben Bot, zo zeggen zij, was dit nooit overkomen.

En ook in Europa zorgt de Nederlandse opstelling voor wrevel. Toen de Europese ministers van Buitenlandse Zaken spraken over een opvolger voor IMF-directeur Dominique Strauss Kahn, was Nederland de enige die zich niet direct achter de kandidatuur van de Europese kandidaat, de Française Christine Lagarde, schaarde. De Nederlandse ambassadeur bij het IMF pleitte voor de kansloze Israëlische econoom Stanley Fischer. Tot ergernis van vooral de Fransen. Lagarde werd de nieuwe directeur van het IMF.

Nog korter geleden blokkeerde Nederland een standpunt van de Europese Unie over mensenrechtenschendingen door Palestijnen en Israëliërs. De reden: de EU-tekst zou te negatief over Israël zijn geweest. Rosenthal ontkende niet, maar zei dat ook andere landen moeite hadden met de tekst. Bijna twee weken later, tijdens een overleg van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken, werd Rosenthal tijdens de lunch streng toegesproken door onder anderen de Fransen, bevestigen diplomatieke bronnen. Een hoge diplomaat van een bevriend land: „Ik kan me niet indenken dat Nederland met deze opstelling de sympathie van andere landen wint.” Een ingewijde: „Rosenthal lijkt het idee te hebben dat je door ‘nee’ te zeggen iets kunt bereiken; maar zo werkt het niet.”