Suriname: berichten over een inval die niet doorging, en toen weer niet

‘Invasie’ – dat klinkt naar de Tweede Wereldoorlog, naar de kusten van Normandië of, voor een jongere generatie, naar Steven Spielberg en Tom Hanks.

Tegenwoordig kom je het woord vooral tegen als het gaat om Irak, of Afghanistan. Maar opeens was er het bericht Nederland overwoog invasie Suriname (9 november). Wat nu? Tom Hanks landt aan de Wilde Kust, in een Caraïbische versie van Not Saving Sergeant Desi?

In een luttele 86 woorden werd uitgelegd dat Nederland in 1986 „concrete plannen” had om Suriname binnen te vallen. De situatie in het land, onder militair bewind, was zo precair dat werd overwogen troepen te sturen om Nederlanders te evacueren. Minister Rosenthal antwoordde dat op Kamervragen van de SP over een stuk in de Volkskrant van een jaar geleden (Verlos ons van Bouterse, 20 november 2010).

Wat niet in bericht stond, maar wel in de antwoorden, was dat de opzet was „de Surinaamse strijdkrachten en de legerleiding tijdelijk te neutraliseren”. Vliegveld en wegen moesten onder controle worden gebracht. Het woord ‘invasie’ was op zijn plaats. Maar waarom zo kort? Was dit geen groot nieuws?

Nee, niet voor lezers die Suriname volgen. De ‘invasie’ dook al op in 1998 (toch nog twaalf jaar later!), in het boek Villa Maarheze van Cees Wiebes en Bob de Graaf. Toen leidde dat in deze krant tot de kop ‘Invasie Suriname beraamd in 1986’. Nog tussen aanhalingstekens, want het bericht werd toen niet bevestigd.

Het was ook niet het eerste invasieplan. Bob Woodward onthulde in zijn boek Veil (1987) dat de regering-Reagan, na de decembermoorden van 1982, een militaire ingreep had overwogen – en afgewezen („het dumbest fucking idea dat ik ooit heb gehoord”, vatte senator Barry Goldwater samen). Minister van buitenlandse zaken George Schultz bevestigde de plannen in zijn memoires Turmoil and Triumph (1993).

Een krant hoeft zich niet eindeloos te herhalen, maar iets meer context had van mij wel bij die 86 woorden gemogen. Ooit gold op de krant (in de geest althans) de ‘IJslanddoctrine’: de krant moet compleet zijn, ook als je net aankomt uit IJsland en met je neus in een WAO-crisis – of invasieplan – valt. Ik geef toe, het is een doctrine van vóór internet en Twitter (en voor de uitbarsting van de IJslandse banken en vulkaan), maar toch.

Die context werd wél geboden in het commentaar drie dagen later (Operatie Suriname, 12 november). Maar dat is allereerst de plaats voor een mening. Een nieuwsanalyse – waar de krant tegenwoordig toch niet weinig van heeft – had hier niet misstaan. Zeker omdat de commentator de antwoorden van Rosenthal zelf „brisant” noemde, en zich verbaasde dat ze „nauwelijks tot enige reactie” hadden geleid.

Overigens was dat in Suriname niet anders. Opwinding: nihil. Politieke reacties: lauw. „Wij kijken naar de toekomst”, zei minister van Buitenlandse Zaken Winston Lackin (van Bouterses NDP) laconiek in het dagblad De Ware Tijd. Die krant fulmineerde nog wel tegen de plannen om „desnoods grote aantallen onschuldige burgers de pijp uit te laten gaan, zoals door wereldmachten interventies met wapengeweld gebruikt worden om regeringen bloedig uit het zadel te halen.”

Van Irak naar Suriname, het is natuurlijk ook maar een kleine stap, voor een wereldmacht. Maar meer dan verbale stoom leverde ook dit commentaar niet op.

Zijn Nederland en Suriname journalistiek misschien op elkaar uitgekeken – behalve als het gaat om Bouterse en drugs? Juist nu jaarlijks meer Nederlanders dan ooit tevoren naar het land reizen?

Hans Buddingh’, die al vanaf 1981 over Suriname schrijft, vindt van niet. De berichtgeving is – zeker met het aflopen van de ontwikkelingshulp – wel minder eenzijdig actueel, politiek en economisch. Zo schreef de krant deze week nog uitgebreid over slavernij (De slavernij is niet voorbij, ook niet voor Zwarte Piet, 15 november).

Wat ook is veranderd, alweer veertien jaar geleden, is dat nieuws uit Suriname gewoonlijk op de pagina’s Buitenland staat. Folkert Jensma, toen hoofdredacteur, vond het gek dat stukken uit Suriname op Binnenland stonden, naast nieuws uit Almere of Oude Pekela – een erfenis van de nauwe banden met het voormalige rijksdeel.

„Ik vond dat Suriname in het buitenland lag”, zegt Jensma nu, droogjes. Hij wilde twee vliegen in één klap slaan: „De koloniale erfenis opruimen en Buitenland verplichten wat meer naar de lezer te kijken.” Ook sommige op wereldschaal triviale landen zijn voor Nederlandse lezers interessant.

Hoe heeft dat uitgepakt? Volgens een ruwe telling werd ‘Suriname’ in 1990 in 268 stukken genoemd, daarna 258 keer (1995), 307 (2000), 218 (2005), 188 (2010) en 127 (2011). Het laatste decennium vertoont dus een gestage daling.

Dat hoeft nog niet te duiden op een daling van de redactionele belangstelling. De krant is in het algemeen selectiever geworden en minder een kroniek van kleine nieuwsfeiten (in 1990 vinden we nog berichten als Begroting Suriname nog niet behandeld). Dat geldt zeker voor Suriname, na het einde van de militaire periode en de hulprelatie.

Maar het blijft wel opletten. Een verstrekkende uitspraak van het Inter-Amerikaans Hof over de grondrechten van Surinaamse marrons in 2007 bijvoorbeeld – ook nu weer een hete kwestie in het land – heeft de krant nooit gehaald. Terwijl die past in de wereldwijde strijd van inheemse volken om grondrechten.

Toch bijna zo interessant als een nooit uitgevoerde invasie.

Sjoerd de jong