Smeerolie met patchoeli

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: de neus.

Mijn neus heeft mij veel gebracht. Hij is misschien een ietsiepietsie aan de grote kant en ik steek hem wellicht iets te vaak in andermans zaken, maar ik kan er toevallig wel heel goed mee ruiken. Echt goed. Ik kan ruiken van wie het boek is dat ik heb geleend en ik ruik het als mijn kinderen ziek worden. Van de frismodderige geur van het Amsterdamse grachtenwater raak ik euforisch, vooral als het net heeft geregend, en – over euforie gesproken – kon ik nog maar ooit, één keer, al was het maar voor heel even, ik heb er duizenden euro’s voor over, de zoetweeë geur ruiken van vruchtwater.

Dat de man die mij zou ontmaagden naar koffie, wiet en douche-schimmel zou ruiken, had ik van tevoren natuurlijk nooit kunnen bedenken. Evenmin dat uit de poriën van de vader van mijn kinderen smeerolie en patchoeli zou komen. Maar mijn neus wist blijkbaar wat het beste voor mij was. (Ik neem aan dat dat algemeen bekend is: dat je voor het beste nageslacht – lees: de beste seks – iemand moet kiezen wiens immuunsysteem complementair is aan dat van jezelf en dat je die keuze dus vooral aan je neus moet overlaten.) Maar wat als de vader van mijn kinderen een weerzinwekkend penetrant parfum als Kouros had gebruikt? Dan zou mijn leven heel anders verlopen zijn.

Na mijn scheiding aarzelde ik om nog langer de ambergeur op te doen die mijn ex en ik jaren samen deelden (Ambre Sultan van Serge Lutens). Dat kon niet, dacht ik, al vond ik het parfum nog steeds zo lekker dat ik het wel drinken kon. Ik besloot dat ik een nieuwe geur moest hebben. Een voor mij alleen, een die een nieuw leven inleidde: een opwindend bestaan met een kleine hint van huiselijkheid. Na een uitputtende zoektocht vond ik Felanilla van de jonge, Franse neus Pierre Guillaume: een beetje bijtend en toch troostend. Niet veel later sloeg ik mijn nieuwe lief aan de haak.

Zou zo’n parfumeur, vroeg ik mij af, zich wel realiseren dat aan het dragen van parfum zulke enorme risico’s kleven? Nu had ik toevallig de kans om die vraag – vermomd als journalist – te stellen. Pierre Guillaume was in Nederland. Ik had hem wel eens halfnaakt op een foto gezien en wist dat deze neus een feest voor het oog is. Glanzend zwarte krullen, bruine hertenogen, rechte neus, volle lippen, wilskrachtige kin en het lijf van een jonge God (ja sorry hoor, maar zo vaak krijg je de kans niet om in clichés te vervallen).

In een met winterzon overgoten serre zat hij te wachten, op mij. „Je moet altijd blijven nadenken”, was zijn antwoord op mijn vraag. „Een man die de bliksem bij je laat inslaan, is niet per se de man die je een leven lang gelukkig maakt.” Net zo kun je wel van een parfum houden, zei hij, „maar het parfum moet ook van jou houden”. Baarlijke nonsens natuurlijk, maar oh, zut alors, die Franse taal ook altijd, een paling in een emmer snot is er niks bij.

En mijn parfum, wilde ik weten, of eigenlijk zijn parfum, het parfum dat hij gemaakt had, hield mijn parfum van mij? Hij boog zich voorover, pakte mijn arm, wreef met zijn duim over de binnenkant van mijn pols, bracht die naar zijn neus en keek me diep in de ogen. „Ah”, kreunde hij zachtjes. „Il vous aime.” De geur rook exactement, maar dan ook exactement zoals hij hem bedoeld had, „een parfum als een woeste poes die zich laat strelen, maar elk moment kan uithalen”.

Ho! Stop! Hier zat een 34-jarige snotaap, homoseksueel bovendien, een hardwerkende moeder te bedonderen. Blijven nadenken nu.

Eén vraag moest ik hem nog stellen: wat te doen met het parfum van de ex? Hij zou nu kunnen zeggen: „Door de plee spoelen natuurlijk! Bevrijd je van alle conventies. Trek je kleren uit en ren samen met mij langs die bedwelmende grachten van je.” Maar dat zei hij niet. Hij zei: „Je moet het verleden koesteren. Als je samen voor de kinderen kunt zorgen, kun je ook een geur delen.”

Wat een wijsneus zeg, gelukkig had hij een beetje last van mondgeur.

    • Monique Snoeijen