Rituele en reguliere slacht: veel beleidsstudies, weinig wetenschap

Biologie De Eerste Kamer is begonnen met de behandeling van de wet die ‘onverdoofd’ ritueel slachten verbiedt. In het debat daarover spelen rapporten van wetenschappers een belangrijke rol, maar wat is de waarde van die rapporten precies? De Amerikaanse dierkundige Temple Grandin doet al veertig jaar onderzoek naar het welzijn van dieren in slachthuizen.

In een slachthuis in het Gelderse Aalten selecteerde dierenarts Bert Lambooij (Livestock Research van Wageningen UR) vorig jaar 31 rosé vleeskalveren voor een proef die meer duidelijkheid moest geven over het dierenwelzijn tijdens een rituele slacht. De kalveren, tussen de 185 en 260 kilo zwaar, werden met elektroden aangesloten op apparatuur om hartslag (ECG) en hersenactiviteit (EEG) te meten; uit de staart werd bloed getapt. Een islamitische slachter sneed bij alle kalveren de hals door.

Eenderde van de dieren kreeg alleen een halsnede, eenderde werd vooraf elektrisch verdoofd en een derde kreeg na de snede een kopschot met een pin. Waarom deze onderzoeksopzet? Omdat binnen de islam verschillende groepen kunnen leven met ´bedwelming’ (stroomstoten, kopschot) voor of na de halsnede en het ministerie van Landbouw, de opdrachtgever, die varianten wilde laten toetsen op dierenwelzijn. En omdat de dieren in de joodse en islamitische traditie op de rug gedraaid worden, werd die variant ook meegenomen (zie het artikel hierboven).

Lambooij concludeerde (Report 398, september 2010) onder meer dat dieren na alleen een halssnede ‘mogelijk pijn ervaren’ gedurende 80 seconden, tegen minder dan 5 seconden met een kopschot. Onderzoeksbureau TNO, ingehuurd door het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK), maakte dit voorjaar gehakt van het rapport. Het aantal proefdieren zou te gering zijn om serieuze statistiek te bedrijven en de methode om de resultaten van het EEG-onderzoek te wegen was nog niet gevalideerd, luidden twee van de vele verwijten.

“Het rapport van Lambooij is helemaal niet slecht”, zegt neurofysioloog Ton Coenen, emeritus hoogleraar aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Coenen, die veel (EEG-)onderzoek heeft gedaan naar het (diervriendelijk) sterven van ratten en pluimvee, zegt dat de door Lambooij gebruikte EEG-methode uitgebreid is getoetst bij de Radboud. Coenen signaleert een veel fundamenteler probleem met de studie, dat eigenlijke alle door politici gebruikte rapporten parten speelt: “Het is een onderzoeksrapport, gemaakt in opdracht van een ministerie. Het is geen wetenschappelijk onderzoek, dat door collega’s is getoetst vóór publicatie in een peer reviewed tijdschrift.”

Toch worden dergelijke studies in de politiek wel degelijk zo gezien en gebruikt. In het politieke debat over het verbod op ‘onverdoofd’ ritueel slachten, dat inmiddels wordt gevoerd door de Eerste Kamer, spelen drie rapporten een belangrijke rol. Studies als Report 398 worden door politici aangehaald als wetenschappelijke publicaties, die onomstotelijk aantonen dat dieren nodeloos lijden tijdens de rituele slacht. De Tweede Kamer heeft bij de instemming met het verbod op ‘onverdoofd’ slachten (dus zonder kopschot of stroomstoot) ook een motie aangenomen dat joden en moslims hun traditie alleen kunnen voortzetten, als zij wetenschappelijk aantonen dat dieren daarbij niet méér lijden dan bij de reguliere slacht.

De gebruikte rapporten zijn echter nogal wisselend van kwaliteit en echoën meer of minder het politieke debat. Zo komt Report 398, dat volgens Lambooij over enkele maanden wordt gepubliceerd in een peer reviewed wetenschappelijk tijdschrift, voort uit de politieke zoektocht naar een compromis met de moslimgemeenschap (verdoven rond de halssnede). Bovendien ontbreken in de rapporten gegevens over het (gebrekkige) dierenwelzijn tijdens reguliere slachtmethoden.

De politieke discussie is het meest zichtbaar in Rapport 161 (2008), een literatuurstudie van Wageningen UR. Over het feit dat na de joodse slacht het vlees van afgekeurde dieren wordt verkocht als niet-koosjer schrijven de onderzoekers bijvoorbeeld omineus dat ‘de kans bestaat dat de consument ongewild vlees koopt van onbedwelmd ritueel geslachte dieren’. Is dat een conclusie na wetenschappelijk onderzoek? Nee, erkent Lambooij, die ook medeauteur is van dit rapport: “Maar dit telt wel degelijk, want de EU overweegt om dergelijk vlees te laten labelen. De discussie speelt.”

Het zogeheten ‘Dialrel-rapport’ (Dialrel staat voor ‘dialoog’ en ‘religie’), dat in 2010 is gemaakt in opdracht van de Europese Unie, is volgens TNO wel voldoende onderbouwd: ‘Veel geciteerde publicaties zijn verschenen in peer reviewed tijdschriften. Het rapport maakt een gedegen indruk.’ Dat neemt niet weg dat dit rapport vrijwel alleen handelt over de rituele slacht zelf.

Zo staat in het Dialrel-rapport wel dat bij de reguliere slacht het schietmasker in 5 tot 6 procent van de gevallen faalt, maar nergens om hoeveel dieren het gaat. Absolute aantallen zijn niet onbelangrijk gezien het feit dat in Nederland jaarlijks veel minder dieren ritueel worden geslacht dan regulier.

Het Dialrel-rapport geeft in elk geval wel een gedetailleerd en feitelijk beschreven beeld van wat er gebeurt vanaf het moment dat het mes de luchtpijp en de twee halsslagaders heeft doorgehaald. Schapen overlijden in minder dan een halve minuut, doordat de bloedtoevoer naar de hersenen stil valt. Hun nekslagader voorziet alleen de wervelkolom en hersenstam van bloed. Bij koeien gaat het minder vlot, doordat hun nekslagader de hersenen nog even van bloed blijft voorzien. Na 60 tot 90 seconden heeft een rund eenderde van zijn bloed verloren, waarschijnlijk voldoende om de koe het bewustzijn volledig te laten verliezen. Ook EEG’s wijzen op bewustzijnsverlies binnen anderhalve minuut, tegen enkele seconden na een ‘kopschot’ met een metalen pen.

Over het bewustzijnsverlies van grote zoogdieren weten we echter nog lang niet alles, zegt Coenen: “Bij onthoofding van kleine dieren als ratten zie je het bewustzijn snel verdwijnen.” Het doorsnijden van de hals komt volgens hem dicht in de buurt van onthoofding: “Alleen de achterste slagader bij runderen zorgt nog voor enige aanvoer van bloed naar de hersenen, e-n-i-g-e aanvoer.” Coenen houdt het erop dat “gezien de stand van de huidige wetenschap, de káns op dierenleed bij ritueel slachten bij grotere dieren groter is dan bij reguliere slacht, terwijl bij kleinere dieren deze kans vrijwel gelijk is.”

Voor de gepensioneerde dierenarts Reinder Hoenderken is dat voldoende voor een verbod op ‘onverdoofd’ slachten, maar volgens hem zijn er dieronvriendelijker methoden. Hoenderken, die in 1978 promoveerde op elektrische bedwelming van slachtvarkens”, zegt: “CO2-bedwelming van slachtvarkens vind ik uiteindelijk nog dieronvriendelijker dan een correct uitgevoerde halssnede. Ditzelfde geldt voor de elektrische waterbadbedwelming voor slachtpluimvee.”

Bij waterbadbedwelming worden kippen in een waterbak met een stroomstoot gedood. Soms verliest een kip niet alleen het bewustzijn, maar raakt ze alleen verlamd, zegt Coenen, die onderzoek deed naar alternatieve slachtmethoden voor pluimvee. En bij bedwelming met CO2 stikken varkens gedurende een heftige doodstrijd van 15 tot 20 seconden. Met deze methode kunnen meer dieren per uur worden gedood dan met – diervriendelijker – stroomstoten. Hoenderken onderzocht de ‘onaanvaardbare’ methode voor zijn proefschrift en liet landbouwinspecteurs in 1979 zien hoe die in de praktijk in zijn werk gaat. De CO2 -methode werd daarna 30 jaar niet meer toegepast, maar niet verboden. Sinds 2009 gebeurt het wel weer op deze manier, mede omdat de Europese Unie die niet verbiedt.

Hoeveel varkens er jaarlijks met kooldioxide worden gedood, is niet bekend. Maar de Nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (NWA) kent in elk geval twee slachterijen die de methode gebruiken; en per uur kunnen 1.000 varkens worden gedood. “Van Denemarken weet ik dat de echt grote varkens niet met CO2 worden gedood, omdat die de hele boel afbreken terwijl ze stikken”, zegt Hoenderken.

De CO2-variant kan overigens wel diervriendelijk worden gedaan, namelijk door eerst zuurstof toe te voegen aan het gasmengsel. De dieren verliezen dan eerst hun bewustzijn zonder het gevoel te stikken, voordat ze uiteindelijk sterven, verstikt door de kooldioxide. De Radboud Universiteit paste de techniek toe bij de ontwikkeling van een diervriendelijke kippenslachterij. “Het sterven gaat dan vloeiender, met minder pijn”, zegt Coenen.

In de reguliere slacht in Nederland wordt deze methode lang niet overal gebruikt. De methode kost per kip 3 of 4 eurocent meer dan de waterbadmethode, terwijl de kosten bij CO2-verstikking met zuurstof erbij ook een paar cent hoger liggen. Typisch elementen die zouden passen in een integrale wetenschappelijke studie naar dierenwelzijn in de vleesindustrie – die er nog niet is.