Rick Perry, de Europese hoop in bange dagen

Het is een klassieker in de Amerikaanse opvoeding: als je maar wilt, kun je alles worden in dit land, zelfs president. Sommige kinderen nemen dat letterlijk en geloven er op middelbare leeftijd nog steeds in. Dat levert om de vier jaar een klasje ambitieuze zorgenkinderen op, die er stuk voor stuk van overtuigd zijn dat ze bijdehand genoeg zijn om supermacht Amerika te gaan leiden.

Je kunt je afvragen of iemand die zichzelf geschikt acht voor die onvoorstelbaar moeilijke functie, niet per definitie lijdt aan zelfoverschatting. Maar er zijn voorbeelden in de geschiedenis waarbij het redelijk goed is afgelopen. En iemand moet het toch doen.

Dit jaar hebben we even kunnen wennen aan de gedachte van een president Donald Trump of een president Sarah Palin. Maar hoewel de camera duidelijk hield van deze twee kleurrijke personages, en ze allebei ook enige tijd favoriet waren in de peilingen, hebben ze niet doorgezet.

Acht Republikeinen die nog wél in de race zijn hielden vorige week zaterdag een televisiedebat over buitenlandse politiek. Het buitenland houdt de Amerikaanse kiezer doorgaans niet vreselijk bezig, dus het was bijzonder dat er desondanks een heel debat aan werd gewijd – in de VS een uur lang te volgen op televisie, en wie daaraan nog niet genoeg had, kon voor het laatste half uur terecht op internet.

„Ieder van ons is beter dan Barack Obama”, zei Newt Gingrich ruimhartig over zichzelf en zijn rivalen. Daarmee doelde hij dus ook op zakenman Herman Cain – wiens belangrijkste professionele ervaring is dat hij ooit directeur was van de fastfoodketen Godfather’s Pizza. En op Rick Perry – de gouverneur van Texas die onlangs met veel bravoure aankondigde dat hij drie ministeries zou opdoeken, maar met een mond vol tanden stond toen hij probeerde op te sommen wélke precies (hij kon er maar twee bedenken). Maar ach, vier jaar geleden was Obama ook nog maar een onervaren senator, die weliswaar erg populair was, maar toch ook een behoorlijk onwaarschijnlijke presidentskandidaat.

Het is niet makkelijk de manier waarop de Amerikanen hun presidentskandidaten kiezen helemaal serieus te nemen. Het zit vaak ook dicht tegen het cabaret en de slapstick aan – vooral nu schandalen en blunders de meeste aandacht trekken. Man of vrouw die gewichtig doet, glijdt uit: dat is altijd leuk.

Maar Europeanen hoeven niet meewarig te doen over de Amerikaanse campagnes. Zeker niet zolang de meeste partijen hier zich niet wagen aan zo’n open procedure.

Zelfs het debat over buitenlandse politiek dwong een zekere jaloezie af, ook al was duidelijk dat sommige kandidaten nog wel wat bijscholing kunnen gebruiken. Maar niemand hoeft nerveus te worden, we zitten nog pas in het voorprogramma. De ergste brekebenen hebben nog alle kans om af te vallen.

In het debat werd veel duidelijk. Allereerst iets wat je bijna zou vergeten door alle berichten over gestuntel van kandidaten: allemaal kwamen ze goed uit hun woorden, gebruikten ze duidelijke taal en wisten ze snel hun punt te maken.

Natuurlijk was er veel stoere taal: het is tenslotte een campagne. Iran? Hard aanpakken, zorg dat het regime verdwijnt, steun de oppositie, vonden de meesten. En sluit militair ingrijpen niet uit. Waterboarding van terreurverdachten? Weer invoeren. Guantánamo Bay? Meer gebruik van maken. En mag de president opdracht geven een Amerikaan die van terrorisme verdacht wordt te doden, zoals Obama onlangs gedaan heeft in Jemen? Absoluut, zeiden Mitt Romney en veel anderen, we zijn in oorlog.

Maar de ijzervreters kregen ook tegengas. Hoe kunnen jullie een president die je niet eens de gezondheidszorg toevertrouwt nou de macht geven om aanklager, rechter en beul in één te zijn?, vroeg de libertaire kandidaat Ron Paul. Waterboarding is martelen, zei oud-ambassadeur in China Jon Huntsman, we doen afbreuk aan ons aanzien in de wereld als we dat toestaan, dit land heeft waarden. Het werd zowaar een echt debat.

Het was wel een somber, defensief stel bij elkaar. Dat de wereld zich in een overgangsfase bevindt, met de Arabische Lente en de opkomst van de Aziatische economieën, werd niet als historische kans gezien, maar vooral als bedreiging. Dat optimisme in Amerikaanse verkiezingscampagnes een belangrijk wapen kan zijn, denk aan Ronald Reagan, beseft deze lichting nog niet.

En Europa? Dat kwam alleen in de allerlaatste minuten nog even aan de orde. Hoe de de kandidaten zouden voorkomen dat de Europese crisis overwaait naar de VS, was de vraag. Die crisis lossen de Fransen en de Duitsers wel op, wist Perry.

President zal hij niet worden, maar het zou toch mooi zijn als hij op dit punt gelijk krijgt.

Juurd eijsvoogel