Non-politiek regeren

In Italië en Griekenland is de uitvoerende macht nu in handen van bestuurders die zich er op laten voorstaan dat ze niets met dé politiek hebben te maken en zonder dat er verkiezingen aan te pas zijn gekomen. Zouden de premiers Monti en Papademos een uniform hebben gedragen, dan zou het woord ‘junta’ opdoemen. Dat is niet aan de orde. Monti en Papademos hebben geen militaire rang. Beide benoemde regeringsleiders zonder achterban zijn van ‘onbesproken gedrag’ en hebben toch zoveel professionele kennis en ervaring dat het ‘puinruimen’ bij hen in goede handen lijkt.

De algemene redenering is dat dit de consequentie is van de noodtoestand die de oude politieke klasse heeft laten ontstaan. Als de partijen en instituties falen, grijpen technocraten de macht.

Maar zo simpel is het niet. Het begint al met de terminologie. De twee regeringen worden weliswaar geleid door technocraten maar zijn niet identiek. Het zakenkabinet van Monti, gevormd door experts zonder partijpolitieke kleur, is technocratisch. De ploeg van Papademos is een ‘nationale eenheidsregering’, die de grootste partijen dwingt hun permanente rivaliteit even te staken.

Beide regeringen zullen voor hun wetgevende werk overigens steun moeten zoeken bij het parlement. De apolitieke kabinetten hebben zo een afgeleide legitimatie, ook al zijn hun ministers niet partijpolitiek aanspreekbaar.

Ondemocratisch kunnen de noodregeringen dus niet apriori worden genoemd. Zeker niet vanuit Nederland, waar geen enkele uitvoerende macht rechtstreeks door de burgers wordt gekozen.

Maar onproblematisch zijn dit soort zakenkabinetten of brede nationale coalities niet. Los van de noodzaak om problemen aan te pakken, ze versluieren ook.

Het begrip technocratie wekt de indruk dat de antwoorden op de grote maatschappelijke vraagstukken in twee categorieën kunnen worden verdeeld: politieke antwoorden versus professionele oplossingen. De eerste zijn in dit schema subjectief, de laatste juist objectief.

De waardering daarvan golft mee op de tijdgeest. Een paar jaar geleden had het woord technocratisch een negatieve klank. Het stond model voor politici die niet luisterden naar het volk. Nu is de connotatie omgekeerd. Het volk moet de experts met rust laten.

Maar zo eenvoudig was het vroeger niet en is het nog steeds niet. Elke regering die de staatshuishouding op orde wil brengen, neemt maatregelen die per definitie politiek zijn. Wie bezuinigt, moet beslissen of dat gebeurt bij de sociale zekerheid, onderwijs, infrastructuur, gezondheidszorg of defensie. Dat zijn politieke keuzes. Wie de overheidsinkomsten wil vergroten, zal belastingen moeten verhogen. Maar welke: inkomstenbelasting, vermogensbelasting of de btw? Politieker kunnen de dilemma’s niet zijn.

Pleitbezorgers van de technocratische aanpak denken dat de noodzakelijke keuzen in ieder geval wel sneller kunnen worden gemaakt als ze even buiten de politieke arena worden geplaatst.

Dat is waar. Maar de consequenties voor het democratische draagvlak onder de burgers kunnen groot zijn. Het middel kan zelfs ergers zijn dan de kwaal. Technocratische ministers opereren als consultants: ze analyseren de problemen, dragen oplossingen aan conform de geldende handboeken, voeren die uit en vertrekken vervolgens. Althans als ze geen dictatoriale dromen hebben.

Politieke interim-managers zijn uiteindelijk dus niet aanspreekbaar door de burgers. De democratische keten – vooraf bij de kiezers een mandaat vragen en achteraf verantwoording afleggen aan die kiezers – wordt zo gebroken. Er is wel een begin maar geen einde. Dit consultancymodel is een gevaar voor de aansprakelijkheid van het openbaar bestuur, de kern van een democratisch bestel. Maar er is meer. Het vervreemdt de burger ook van zijn eigen verantwoordelijkheid en kan hem bevestigen in heersende en al te gemakzuchtige idee dat ‘ze’ daarboven maar doen.

Op korte termijn kan een zakenkabinet een onvermijdelijke noodgreep zijn. Op de lange duur is het model echter schadelijk.