Job Cohen: Meritocratie is niet genoeg Geen mens kiest zijn eigen talenten

Met onderwijs, jeugdzorg en hulp moet de overheid gelijke kansen scheppen voor iedereen, opdat het beste talent bovenkomt. Talent is toeval. Anders dan liberalen helpen sociaal-democraten ook de achterblijvers.

We kennen allemaal de ervaring dat we opeens bij onszelf een talent ontdekken dat we niet eerder hadden vermoed. Je staat voor het eerst op een podium en denkt na afloop: ‘dit deed ik helemaal niet slecht’. We kennen ook de ervaring dat iets niet lukt. Je staat voor het eerst op de tennisbaan en denkt na afloop: ‘dit wordt nooit wat’. Of zo’n ervaring nu positief of negatief is, we ervaren onze talenten als onderdeel van onze identiteit. We denken al gauw: het zijn mijn talenten. Ze zijn van mij. Geen ander mens heeft hierover iets te zeggen.

Deze gedachte is de bouwsteen van de Amerikaanse Tea Party en van ideologen die zich ‘libertariërs’ noemen. Op deze gedachte volgt een tweede gedachte: dat alles wat iemand met zijn eigen talenten verdient, ook van hem is. Vooral in de Verenigde Staten zijn er nogal wat mensen die zo denken.

Deze redering heeft enorme gevolgen voor de rol die deze mensen toebedelen aan de staat. De staat komt in dit verhaal alleen maar voor als een bedreiging, als een instantie die onze zuurverdiende inkomsten wil afpakken om aan anderen te geven die het letterlijk en figuur niet ‘verdiend’ hebben. Belasting is diefstal! De Tea Party is hiervan het beste voorbeeld. Zij streeft een volstrekt minimale staat na.

Is dit voor Nederland relevant? Wij kennen toch niet van dit soort pure libertariërs? Onze liberale vrienden zijn niet uit hetzelfde hout gesneden, hoewel ze altijd kritisch zijn op de omvang van de staat. Zij streven iets anders na. Hun droombeeld is de volmaakte ‘meritocratie’ – de samenleving waarin het ideaal van gelijke kansen voor iedereen is gerealiseerd.

Laat ons twee mensen voorstellen die bij hun geboorte exact even talentvol zijn, maar van wie de één opgroeit in een rijk gezin, met ouders die hem stimuleren het beste uit zichzelf te halen, en de ander in een gebroken gezin, waarin weinig aandacht is voor zelfontplooiing. Een optimale meritocratie neutraliseert deze verschillen in sociale achtergrond. Zo krijgen beiden op papier evenveel kansen in het leven. Dit betekent dat de tweede persoon relatief meer geld zal krijgen, om zijn achterstanden te compenseren. Goed onderwijs, goede jeugdzorg en andere publieke voorzieningen kunnen hem helpen.

Als beiden eenmaal gelijk aan de start komen, moeten zij het alleen redden. Dan treedt de eigen verantwoordelijkheid in werking. Als de één lui is en arm blijft, terwijl de ander ijverig fortuin maakt, is het verschil verdiend.

Nederlandse liberalen kunnen zich hierin helemaal vinden. Met de herverdelende staat, die achterstanden in de beginsituatie bestrijdt, tonen zij hun sociale gezicht en onderscheiden ze zich van Tea Party-achtige figuren. Dit presenteren ze graag als een ruimhartige concessie. Kijk eens, wij zijn geen libertariërs. We zijn sociale liberalen. Tegelijkertijd tonen zij hun strenge gezicht, met hun nimmer aflatende nadruk op eigen verantwoordelijkheid. Ze zeggen: op een gegeven moment is het genoeg geweest, de staat garandeert gelijkheid bij de start, maar daarna geldt eigen verantwoordelijkheid.” Zo lijken ze het precies goed te doen. Ze zijn niet te streng en niet te soft.

Misschien maakte deze Januskop dat linkse progressieven zich inmiddels tamelijk klakkeloos hebben gevoegd naar dit idee. Talloze linkse politici noemen zich tegenwoordig ‘links-liberaal’ of ‘sociaal-liberaal’. Om zichzelf te verontschuldigen, zeggen ze: „we zijn voor gelijke kansen, niet voor gelijke uitkomsten”.

Zulke progressieve politici vallen liberalen niet aan op hun ideeën, maar op de uitvoering ervan. Dit drijft ook hen naa

r de gedachte dat alles begint en eindigt bij eigen verantwoordelijkheid en dat de overheid slechts randvoorwaarden biedt.

Door met het denken in eigen verantwoordelijkheden in te stemmen, bedelen linkse partijen zichzelf een opmerkelijk marginale rol toe. Ze zijn de dempers op een rechts ideaal. Ook in Nederland dreigen partijen ter rechterzijde bij tijd en wijle te vervallen in de Amerikaanse libertaire reflex. De partijen ter linkerzijde moeten hen bij de les houden en hen herinneren aan hun betrokkenheid bij gelijke kansen.

Hoe zinvol is het voor links om primair de waakhond van rechts te zijn? Verspelen linkse, progressieve politici hiermee niet hun belangrijkste munitie?

Ik denk dat we te gemakkelijk meegaan in het maatschappelijke ideaal van de meritocratie. Dit ideaal is problematisch en kan op z’n best de helft van het verhaal zijn.

We geloven er heilig in dat we mensen in staat moeten stellen het beste uit zichzelf te halen. Gelijke kansen op talentontplooiing zijn belangrijk, ook voor ons. Wie door sociale of economische omstandigheden zijn talenten niet kan ontplooien, kan hevig gefrustreerd raken. We vinden dat onderwijs voor iedereen even toegankelijk moet zijn. We vinden dat ieder mens dezelfde rechten moet hebben als hij door de overheid te woord wordt gestaan. We willen dat alle burgers zich even gezien weten door de bestuurders.

De meritocratie is voordelig voor het land. Meritocratie betekent letterlijk: ‘heerschappij van de meest verdienstelijken’. Iedereen profiteert ervan als degenen met het meeste talent komen bovendrijven in het bedrijfsleven, de politiek, de kunsten en wetenschappen. De meritocratie is een verbetering ten opzichte van de aristocratie van weleer. Daarin bepaalde iemands stand of hij zou leiden of slechts zou worden geleid.

Het probleem is dat deze meritocratie niet is voltooid.

Liberalen lijken vaak te denken dat gelijke kansen bereikt zijn. Hun gedachtengang is als volgt: ‘Allerlei relatief gesloten gebieden van de samenleving zijn de afgelopen eeuw ontsloten voor het grootste deel van de bevolking. Het onderwijs is voor iedereen toegankelijk. In vrijwel alle opleidingen die dit land kent, is geïnvesteerd. Een brede infrastructuur maakt het voor iedereen mogelijk om te genieten van kunst en cultuur. Iedereen kan meedoen in het politieke proces. Het verdwijnen van de aristocratische samenleving en daarna het verdwijnen van de klassensamenleving maakt dat ieder dubbeltje een kwartje kan worden.’ De liberale conclusie luidt: ‘Er bestaat formele gelijkheid voor iedereen. De meritocratie is dus wel zo’n beetje af.’

De liberale formule is een liberale utopie. Deze gaat ervan uit dat er een moment is gekomen waarop ieder individu alleen nog afhankelijk is van zijn eigen verantwoordelijkheid. Dit vind ik een naïeve gedachte. Hoe mooi het ook zou zijn als deze gedachte waar zou zijn; het is niet zo.

Ook met formeel gelijke kansen zijn er mensen voor wie steeds nieuwe en onverwachte struikelblokken opdoemen. Dit zijn mensen die nooit aanspraak zullen maken op de ‘formele gelijke kansen’ van de liberalen. Zij zullen niet naar de universiteit gaan, een ondernemende, ‘hard werkende Nederlander’ worden of ‘excellent’ zijn. Deze mensen hebben nooit een kans gehad, om wat voor reden dan ook – bijvoorbeeld omdat ze een ongeluk kregen en zich vanaf dat moment moeten redden in een lichaam dat niet meer werkt als tevoren, of omdat ze op jonge leeftijd te maken kregen met drugs, geweld of onkundige ouders. Een formele kans is voor hen een papieren kans. Een formele kans is geen gelijke kans.

Veel mensen ondervinden grote nadelen van de liberale utopie – niet alleen omdat het hun niet lukt iets waar te maken, maar bovenal omdat ze impliciet steeds te horen krijgen dat iedereen die na de lange verheffingsgeschiedenis niet meer dan een lage opleiding afrondt of een laag inkomen verdient, dat enkel en alleen aan zichzelf te wijten heeft. De verzorgingsstaat compenseert alle sociale achterstanden toch afdoende? Er is toch gelijkheid bij de wet? Wie het niet haalt, heeft dat aan zichzelf te wijten. Wie het niet haalt, is een loser.

Als sociaal-democraat denk ik hier anders over.

De meritocratie roept nog een andere vraag op waar liberalen en sociaal-democraten verschillende antwoorden op geven. Die vraag luidt: ‘Hoe gaan we om met mensen die het niet halen in de meritocratie? Moet je die mensen actief bij de les trekken?’

Ik denk dat alle politici altijd uitgaan van een zekere mate van paternalisme en dat de vraag of we paternalisme moeten toestaan, dus een schijnvraag is. Politiek zonder paternalisme is geen politiek. Dat is hooguit een kaal soort management. Zelfs premier Rutte, ogenschijnlijk een van de kampioenen van het moderne, niet-paternalistische liberalisme, heeft een moreel programma.

Ook het idee dat de overheid alleen randvoorwaarden moet scheppen en dat de rest met eigen verantwoordelijkheid wordt ingevuld, is een moreel idee. Als Rutte zegt dat we naar „goed onderwijs”, „goed bestuur” of een „veilige samenleving” moeten streven, is zo’n idee moreel geladen.

Als Rutte over goed onderwijs spreekt, bepaalt hij welke kennis en vaardigheden we aan scholieren aanbieden en welke niet. Hij zegt hoeveel uur een kind zou moeten doorbrengen op school, wat de taak is van de school in de opvoeding en in welke mate kinderen vrij zijn om van school weg te blijven.

Ik vind dat de staat zodanig te werk moet gaan dat mensen worden aangemoedigd om hun verantwoordelijkheid te nemen. Soms is het voldoende om mensen die graag willen een extra zetje geven in de goede richting, maar soms moet notoire niets-willers duidelijk worden gemaakt dat hun levensstijl anders moet. Dit mag niet alleen gebeuren door hen financieel aan te pakken, maar ook door hen moreel tot de orde te roepen.

Welbeschouwd geeft het liberale meritocratische ideaal mensen niet alleen het recht om gebruik te maken van formele gelijke kansen, maar geeft het hun ook het recht om hun leven te verprutsen. De meritocratie geeft hun the right to rot – het recht om zichzelf en hun naasten te verwaarlozen, zolang ze maar niets verkeerds doen. Dit miskent de ellende waarmee sommigen te maken krijgen in hun leven. Deze ellende maakt het voor hen onmogelijk het leven in eigen hand te nemen. Zij kunnen niet, zoals de liberalen van hen verwachten, ‘regisseur’ zijn over hun eigen leven. Deze mensen, die nog niet eens bij de onderste treden van de maatschappelijke ladder kunnen, hebben een duwtje in de rug nodig. In deze prestatiemaatschappij bestaat het reële gevaar dat zij verzinken in steeds diepere ellende. Deze ellende kan zich ook keren tegen de rest van de maatschappij. Deze mensen moeten dus worden geholpen, ook als ze daar zelf niet op zitten te wachten.

Is de meritocratie rechtvaardig? Wat als we op een dag een voltooide meritocratie zouden hebben, waarin gelijke kansen ook echte kansen zijn voor iedereen? Is dat de best denkbare samenleving?

Mijn antwoord is ‘nee’. Dan nog ben ik niet tevreden. In een voltooide meritocratie komt iedereen weliswaar terecht waar hij zijn talenten ten volle tot ontplooiing brengt, maar mensen met weinig talent worden nog steeds bestempeld als losers. Dit is onverdiend.

Door het ideaal van gelijke kansen te omarmen, hebben liberalen erkend dat iemand zelf niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de sociale en economische omstandigheden die bepalen of hij zijn talenten kan ontwikkelen. Het is een kwestie van toeval. Dan is het nogal raadselachtig waarom ze iemands talent blijven bespreken in termen van ‘eigen verantwoordelijkheid’. Geen mens kiest immers zijn eigen talenten. Ze worden ons ook maar gegeven bij geboorte.

Natuurlijk is de liberale reflex begrijpelijk, omdat we die talenten gevoelsmatig ervaren als een onlosmakelijk met onze identiteit verbonden onderdeel, maar dit neemt niet weg dat de verdeling van talenten een ‘natuurlijke loterij’ is.

De liberalen verergeren de zaak door uit te gaan van de manier waarop de markt talent beloont. Iedereen heeft wel één of ander talent. Wat ongelijk verdeeld is, is de waarde die deze talenten opbrengen op de markt. ‘Als jouw talent een lage marktprijs opbrengt, had je maar een ander beroep moeten kiezen’, zo is de gedachte. Dit miskent niet alleen dat velen niet de talenten hebben die blijkbaar horen bij een hogere prijs op de markt, maar bovendien dat sommige beroepen stelselmatig worden ondergewaardeerd door de markt. Beroepen als onderwijzer en verpleegkundige staan continu onder financiële druk. Dit zijn waardevolle beroepen, maar de markt blijkt deze waarde lang niet altijd tot uitdrukking te laten komen in een passend salaris. Hetzelfde geldt aan de top. Is er een concurrerende markt voor topinkomens in het bedrijfsleven?

Het besef van de cruciale rol van het toeval in de verdeling van talenten dwingt ons tot bescheidenheid. Het is het krachtigste tegengif tegen het om zich heen grijpende egoïsme dat samenhangt met de gedachte: ‘dit is mijn eigen verdienste’. Dit bewustzijn dwingt ons ook tot dankbaarheid. We mogen gelukkig zijn met de talenten die we hebben ontvangen. Ten slotte dwingt dit besef tot schatplichtigheid. Het is de meest effectieve bescherming tegen de voortwoekerende ‘dit is van mij’-cultuur. Wie zich realiseert dat zijn talenten giften zijn, die bovendien alleen tot volle wasdom kunnen komen met behulp van de zorg van talloze anderen, zal voortdurend in het krijt staan bij de samenleving waaraan hij zo veel te danken heeft. Waar dit besef verloren gaat, dreigt de sociale samenhang te verkruimelen.

De voltooide meritocratie is een hardvochtige prestatiemaatschappij. Zo’n maatschappij past niet in mijn sociaal-democratische bewustzijn. Hierin hebben individuele prestaties en individuele verdiensten tegelijkertijd een gemeenschappelijke component. Wij allen moeten het doen met de talenten die ons nu eenmaal zijn gegeven.

Als we vanuit deze invalshoek naar de politiek kijken, valt op dat de vraagstelling van de meritocratie ons op het verkeerde been zet. De meritocratie is een antwoord op de vraag ‘wie heerst’? Dit veronderstelt een beeld van de samenleving als een hiërarchische piramide. De vraag is wie boven aan de apenrots zit.

Twee Britse onderzoekers, Wilkinson en Picket, hebben onlangs een meer egalitaire samenleving bepleit. Ze stellen dat mensen evolutionair gezien niet alleen trekken hebben van chimpansees, die hiërarchisch zijn en op status belust, maar ook van bonobo’s, die egalitair en coöperatief zijn en conflicten oplossen met seks. Meritocratie benadrukt alleen de hiërarchische kant van ons mens-zijn, de chimpansee in ons. Liberalen, die alleen de meritocratie zien, vergeten de bonobo.

In mijn ideale samenleving dienen de heersers iedereen, niet alleen degenen met veel talent. Ruttes „hardwerkende Nederlander” suggereert dat sommige Nederlanders, die om wat voor reden dan ook niet hard kunnen werken, er niet bij zouden horen. Hiertegenover zou ik de ‘welwillende Nederlander’ willen stellen. Iedereen die welwillend is om iets aan de samenleving bij te dragen, verdient ons respect, onze waardering en onze steun. Een samenleving van mensen van goede wil is niet een permanente vergelijkingsmachine – wie is meer verdienstelijk? wie staat bovenaan? – maar een raderwerk waarin ook de kleinste tandwieltjes van belang zijn om het geheel te laten draaien. Iedereen heeft hierin zijn eigen, onmisbare plaats. Iedereen moet zich gezien en gerespecteerd weten door anderen.

We moeten erkennen dat mensen verschillende talenten hebben en niet alleen maar respect hebben voor de talenten die het hoogste loon genereren. De onevenredige bezuinigingen op de sociale werkplaatsen, de Wajong en persoonsgebonden budgetten zijn een schande voor ons land. Ze treffen degenen die van goede wil zijn, maar het moeten hebben van een solidair georganiseerde samenleving om die wil te kunnen tonen. Naast de eigen verantwoordelijkheid staat altijd een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

We moeten ook meer vragen van onze nationale elites. Tijdens de rellen in Engeland van deze zomer zeiden sommigen dat de relschoppers moreel niet beter of slechter waren dan de bankiers uit de City. Beide groepen graaiden wat ze konden pakken, ten koste van de gemeenschap. Het verschil is dat de elite een voorbeeldfunctie heeft. De uitdrukking noblesse oblige is nog steeds van toepassing. De elite moet welbewust – op de werkvloer, in de publieke opinie en in het dagelijks leven – de dominantie van het denken in termen van ‘individuele verdiensten’ relativeren, laten zien dat iedereen een eigen talent heeft – wat het ook is- en dat ook waarderen.

We moeten ten slotte blijven streven naar een gematigde verdeling van inkomens en vermogens. Waar scherpe tegenstellingen tussen arm en rijk ontstaan, groeit een voedingsbodem voor onvrede aan de onderkant en onverschilligheid aan de bovenkant. Econoom en Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen verdedigde als redelijk en rechtvaardig dat het hoogste salaris in de samenleving tien keer het laagste salaris zou bedragen. Dit was geen slecht idee. De toegenomen scheefgroei van de jongste decennia is voor niemand goed.

De rol van bonussen in het ontstaan van de kredietcrisis wordt door niemand meer ontkend. Ze gaven de verkeerde prikkels en zetten aan tot hebzuchtig gedrag. Te hoge inkomens hebben hetzelfde nadeel. Ze bevestigen de meritocratische orde in plaats van deze te relativeren.

Dit laatste is broodnodig.

Job Cohen is partijleider van de PvdA en voorzitter van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer. Dit is een ingekorte versie van de Kerdijk Lezing, die hij gisteren uitsprak.

    • Job Cohen