Ik wil niks weten als de camera niet loopt

Op het IDFA deze week gaat de documentaire Alles van Waarde in première. Cameraman en regisseur is Frans Bromet. Onderwerp: vader Bromet en zijn dochter Laura, medewerker bij GroenLinks. Een interview over de boosaardige mens en het belang van de camera. ‘Het meeste van wat ik maak, is nog steeds televisie.’

Nederland, Ilpendam, 08-11-2011 Portret van filmer, cameraman, documentaire maker en interviewer Frans Bromet. Zijn nieuwste documentaire 'Alles van waarde' gaat binnenkort op het IDFA in premiere. foto: Bram Budel Bram Budel

Laatst lag hij op zijn kantoor onder een bureau, om een snoertje van een computer te verwisselen. Vroeg er toch zomaar even een stagiair: ‘Zeg Frans, ben jij daar niet te oud voor?’ Frans Bromet moet erom glimlachen. Zevenenzestig is natuurlijk ook niet gering. Hij voelt zich nog goed en energiek, maar om hem heen gaan er langzaamaan meer mensen dood. En de serie pillen die hij moet innemen – „tegen diabetes, hoge bloeddruk en prostaatklachten” – herinnert hem dagelijks genadeloos aan het onontkoombare verval en de vergankelijkheid. „Maar verder gaat het goed, hoor”, zegt hij, op die ondoorgrondelijk-ironische Bromettoon. Hij heeft net weer een nieuwe documentaire toegevoegd aan zijn oeuvre, Alles van waarde, die tijdens het aanstaande IDFA in première zal gaan.

Aanvankelijk wilde Bromet een film over Pim Fortuyn maken. „Vooral over de manier waarop Fortuyn mensen op hun ontevredenheid en boosheid wist aan te spreken.” Hij interviewde de LPF-leider kort voor diens dood uitvoerig. Dat gesprek had als uitgangspunt van de film moeten dienen. Maar in de Teledoc-competitie waaraan Bromet vervolgens meedeed, zag men zijn plan niet zitten. „Spijtig genoeg, want ik zag die film echt voor me. Peter van Ingen en ik maakten ooit een interview met Fortuyn over politieke correctheid. Hij was de eerste die goed kon uitleggen hoe erg politieke correctheid kan zijn. Dat onderwerpen bewust niet benoemd mogen worden. Ik merkte bij mijn opnames in achterstandswijken heel vaak dat mensen niet goed over dingen durfden te praten. ‘Denkt u vooral niet dat ik een racist ben’.”

Bent u zelf ook een boze ontevreden kiezer?

„Ja. Maar ik zou nooit op de LPF gestemd hebben. Fortuyn was charismatisch, maar ik vond hem bijvoorbeeld een heel slechte schrijver. Hij was een originele geest, maar geen groot denker.”

Waardoor werd u een ontevreden kiezer?

„Ten tijde van de campagne in 2002 portretteerde ik voor de VPRO de toenmalige lijsttrekkers. Toen vielen de schellen me van de ogen. De een bleek nog verschrikkelijker dan de ander. Paul Rosenmöller spande de kroon; die ging na het interview zelfs de andere lijsttrekkers waarschuwen dat ze vooral geen interview met mij moesten doen. Ik knapte volledig op die politici af. Alleen Jan Marijnissen en Pim Fortuyn bleven voor mij overeind.”

Het is moeilijk om in een paar woorden te omschrijven waar uw nieuwe film Alles van waarde over gaat. Kunt u dat wel?

„Het gaat over mijn dochter Laura en mij, over een vader en een dochter. Wij zijn allebei geïnteresseerd in politiek. Laura als beroepspoliticus (ze werkt als medewerker bij de GroenLinksfractie in de Tweede Kamer), ik als burger. Ik probeer in de film mijn pijnpunten als burger aan haar duidelijk te maken, in de hoop dat zij er wat aan kan doen.”

Wat zijn die pijnpunten?

„Die komen neer op diepe ergernis over de enorme invloed van managers, over de managerscultuur. Een systeem waarbij het niet gaat om kwaliteit, maar waarbij kille cijfers de doorslag geven. Neem mijn eigen vak: kijkcijfers zijn allesbepalend. Kwaliteit is volstrekt onbelangrijk geworden. Dat vind ik verschrikkelijk. Het is een schitterend vak waarin je mooie dingen zou kunnen maken. En toch krijgen heel veel collega’s en ikzelf daar steeds minder de kans voor.”

De film draait ook om de tegenstelling tussen het optimisme en de hoop van Laura en het cynisme en de boosheid van u.

„Maar bij mij leeft er ook nog hóóp, hoor.”

Maar dan vooral hoop dat Laura iets verandert.

„Ja. Het is nu aan haar generatie.”

U had zo’n 75 uur aan ruw materiaal. Ook allerlei interviews met andere gesprekspartners. Maar die gesprekken zijn goeddeels uit de film verdwenen.

„Ik ben heel diep in de zorg en in het onderwijs gedoken. Daar is veel van weggegooid. Sommige mensen zijn daar boos over. We hadden een paar heel schrijnende gevallen in de zorg. Een vrouw die haar demente man weer naar huis heeft gehaald, omdat hij in het tehuis mishandeld werd en honger leed. Uiteindelijk is dat niet gebruikt. Pieter van Huystee (producent van de documentaire) vond de scènes met Laura veruit het leukst. Dat andere materiaal vond hij te televisieachtig.”

Wat betekent dat precies?

„Ja, dat weet ik eigenlijk niet. Misschien dat je op tv al zoveel interviews ziet. De gesprekken tussen een vader en een dochter zijn wat ongewoner.”

De film gaat in première op het IDFA. Toen daar drie jaar geleden een retrospectief van uw werk draaide, beschouwde u dat als een late erkenning van uw werk. Hoort u er nu echt bij?

„Ik ben nog steeds geen deel van de documentairecultuur in Nederland. De wereld van John Appel, Heddy Honigmann of Niek Koppen is echt een andere dan de mijne. Je merkt dat zij hun eigen codes hebben. Een verklarende titel in beeld is absoluut not done. Dat vinden ze televisie. Ik zit daar eerlijk gezegd wel een beetje mee. Sommige mensen in de film zou ik graag een naamtiteltje meegeven. Maar ja, dat hóórt niet. Dus dan conformeer ik me daar maar braaf aan. Als ik het wel doe, word ik meteen beschuldigd van het maken van ‘televisie’.”

En dat is natuurlijk wel het allerlaatste wat u zou willen…

„Dat zou een drama zijn. Nee hoor, het meeste van wat ik maak is nog steeds televisie.”

Is een première op het IDFA bijzonderder dan een première op televisie?

„Nou ja, televisie is er elke avond. Het IDFA is er maar een weekje.”

In dat weekje zien een paar duizend mensen uw film. Op tv zien een paar honderdduizend mensen uw film.

„Wat dat betreft stelt de filmcultuur andere eisen. Als je met een documentaire in de bioscoop tweehonderd mensen trekt, is het al bijna een kassucces.”

Bent u met die documentaires op een nieuw spoor beland?

„Weet ik niet. Ik kan een bedrijf als dit daar echt niet draaiend mee houden. Wij doen heel veel, vooral televisie. Omdat de winstmarge op televisie zo klein is, moét je wel veel produceren.”

Waaraan merkt u dat er geen markt meer is voor kwaliteit?

„Als ik ’s avonds de tv aanzet, weet ik vaak niet hoe snel ik moet door zappen naar buitenlandse zenders. Televisie in Nederland wordt nauwelijks nog met het hart gemaakt.”

Ligt dat aan de makers?

„Voor een deel wel. De hele tv is in formats verpakt. Formats zijn in feite handleidingen voor programmamakers. Een bepaald type maker leent zich daarvoor. Eigengereide creatieve makers haken steeds vaker af. Die gaan biljarten of pannenkoeken bakken.”

U krijgt toch nog volop kansen?

„Zoveel zie je niet van mij. Af en toe doe ik iets voor Dokument. En ik maak voor de NTR Aanpakkers. Maar dat zit op een tijdslot waarop er bijna niemand kijkt. In mijn vak geldt dat je toevallig te maken moet hebben met omroepbazen die je mooi werk gunnen. Dat was zo bij Hans Maarten van den Brink van de VPRO, en dat is gelukkig nog steeds het geval met Jelle Peter de Ruiter van de NCRV. Een vanzelfsprekendheid is het allang niet meer.”

Uw toptijd ligt achter u?

„Mijn reputatie hangt grotendeels samen met Buren (de serie over burenruzies die hij tussen 1991 en 1999 voor de VPRO maakte, red.). Terwijl het niet eens zoveel programma’s waren: in negen jaar tijd zijn er 75 afleveringen gemaakt. Dat zijn er acht per jaar. De commerciële televisie maakt nu ook iets dergelijks. Werkelijk niet om aan te zien. Er is altijd een presentator bij die het belangrijkst wordt gevonden. Het moet bij hen ook nadrukkelijk een domme uitstraling hebben, zodat Jan met de pet met een IQ van zestig het ook kan volgen. Bij mij moest de kijker zelf maar zijn conclusies trekken.”

Bij u hoefde het ook niet goed te komen.

„Nee, dat hoefde bepaald niet. Bij de NCRV zijn ze het later gaan nadoen met De Rijdende Rechter. Daar moet het natuurlijk ook allemaal keurig opgelost worden.”

Vindt u het eigenlijk nog leuk om tv te maken?

„Ik vind het nog steeds geweldig om met mijn camera op pad te gaan en met mensen te praten. Daarin is niets veranderd. Dat je echt contact hebt, een diepgaand contact met een wildvreemde, blijft fascinerend.”

U hebt weleens gezegd: „Zonder camera ben ik niet geïnteresseerd in mensen.”

„Dat is nog steeds zo. Die camera is een essentieel deel van het contact.”

Uw interesse houdt op als het rode lampje uitgaat?

„Mijn belangstelling is functioneel. Na het interview heb ik ook geen contact meer met ze. Als we mensen gedurende langere tijd volgen, loopt het contact via de researcher. Ik kom alleen langs met mijn camera, voer een gesprek en ga daarna weer weg. Ik kom met een heel duidelijk doel. Ze weten dat ik eigenlijk niks wil weten als die camera niet loopt. Want alles wat ze daarbuiten vertellen, héb ik niet. Dat voelen ze intuïtief goed aan.”

U beaamde tegenover Theo van Gogh u in feite door mensenhaat gedreven wordt.

„In Buren zag je keer op keer duidelijk dat de mens een hoogst bedenkelijke soort is. Egoïstisch, agressief, zelfvoldaan. Die kanten vergrootte ik nadrukkelijk uit. In Aanpakkers gaat het juist om mensen die zich inzetten voor anderen. In feite is dat iets wat niet bij mijn overige werk hoort. Ik kan het enorm waarderen als mensen zich inzetten voor het goede. Maar mijn persoonlijke fascinatie ligt meer bij de boosaardige eigenschappen van de mens. Mensen gedragen zich vaak zo onaangenaam. Dat wil ik laten zien.”

U heeft drie kinderen (dochters Silvia en Laura, en zoon Ruben). Wat voor wereldbeeld wilde u hun meegeven?

„Dat je er zelf wat van moet maken in het leven. Vertrouw niet te veel op anderen, verwacht niet te veel van je omgeving. Anders word je keer op keer teleurgesteld. Dus toch wel een zekere achterdocht jegens de medemens.”

Leek dat op uw eigen opvoeding?

„Nee. Ik ben juist heel idealistisch opgevoed. Met een duidelijke socialistische ideologie op de achtergrond.”

Terwijl uw vader in de oorlog bijna zijn hele familie kwijtraakte.

„Het was misschien wel hun laatste houvast. Mijn vader zat in de confectie en was actief in de vakbond. Ik begon weleens tegen hem over die dikke auto’s waarin die vakbondsbestuurders reden. Dan werd hij zó woest…”

Uw ouders traden in 1974 op in uw eerste documentaire Het Drielandenpunt.

„Een heel grappige film. Al begrepen ze er helemaal niks van. Mijn wereld was geen deel van hun wereld.”

U nam geen deel aan het gezin?

„Ik was een stille jongen die het liefst op zijn kamertje zat. Ik voelde me een buitenstaander, iemand die er niet bij hoorde. Ergerde me ook aan hun vooroordelen. We waren ooit op vakantie in Engeland. Mijn moeder en mijn tante zaten op de achterbank: ‘Goh, wij dachten dat ze in Engeland altijd van die leuke tuintjes hadden’. ‘Die hébben ze ook’, zei ik, ‘maar die liggen achter die muurtjes.’ Een kwartier later begon het weer: ‘Zie jij ergens leuke tuintjes? Ik niet’.”

Wat maakte die film over uw ouders u duidelijk?

„In die film had ik voor het eerst sinds jaren weer contact met mijn ouders. Echt een dialoog. Eigenlijk was ik een slechte zoon. Ik belde ze nooit op, ging nooit langs, ging totaal mijn eigen gang. Voor het eerst in lange tijd was er weer een gesprek tussen ons.”

Dus weer: contact via de camera.

„Precies. Ik kreeg toen weer meer sympathie voor ze. Niet lang daarna is mijn vader gestorven. Ik zat in de voorbereidingen van Een tip van de sluier toen ik telefoon kreeg dat ik onmiddellijk naar het Slotervaartziekenhuis moest komen. Toen ik daar aankwam, bleek hij al dood te zijn. Mijn moeder en mijn tante vonden dat ik hem toch nog een kus moest geven. Ik deed het, maar hij was al koud.” Merkbaar huiverend: „Dat vond ik het meest verschrikkelijke; dat koude levenloze voorhoofd tegen m’n lippen…

„Door die film had ik meer gevoel voor ze gekregen, maar het bleven totaal verschillende werelden. Een nichtje van mij zegt soms: ‘jij háát familie’. Terwijl ik hier in mijn bedrijf een echte familyman ben.”

Uw dochter zei: „Het was geen gezin waarin echt over dingen gesproken werd.”

„Wij zijn niet zo analytisch met elkaar bezig, nee. Wij praten vooral over werk. We delen dezelfde interesses. Dat is een blijvend onderwerp.”

Dat onderwerp is dan toch vooral: het werk dat ú maakt.

„Dat is niet waar. Silvia is als editor een heel belangrijke factor geworden binnen het bedrijf. Zij heeft bij de laatste film bijna alle belangrijke keuzes gemaakt.”

Het klinkt als een Droste-effect: een film over een vader en een dochter wordt gemonteerd door een andere dochter, terwijl pa op de achtergrond meekijkt.

„Laten we het een zeer bijzondere wisselwerking noemen. Silvia is heel bepalend geweest voor de montage. Ze is niet alleen editor, maar ook eindredacteur.”

Wordt het zo langzamerhand geen tijd dat Bromet en Dochters wordt veranderd in Bromet en Vader?

„Ik wil graag dat Silvia en haar man het bedrijf overnemen. En dat ik af en toe nog ’ns een film voor ze maak. Dat moment komt al behoorlijk dichtbij. Ik ben aan het afbouwen. Dat is goed. Want als ik omval, mag de boel hier niet instorten.”

Bent u goed met die afgelopen 67 jaar omgegaan?

„Als ik kijk naar mijn naasten denk ik dat het allemaal in redelijk goede harmonie is verlopen. Natuurlijk had ik er meer voor mijn kinderen willen zijn. Ik was vaak weg, werd in beslag genomen door mijn werk. Maar er zijn geen grote rampen gebeurd, we zijn bij elkaar gebleven.”

Hebt u bereikt wat u wilde?

„Ik wilde vooral góed worden in iets. Een van de besten. Ik ben in eerste instantie toch een van de topcameramensen in Nederland geworden. En daarna ben ik bij de betere documentairemakers gaan horen. Terwijl ik, toen ik naar de Filmacademie ging, werkelijk geen idéé had wat dat voor opleiding was. Ik was geïnteresseerd in scheikunde en fotografie en dacht: ‘Film zou best ’ns interessant kunnen zijn.’ Puur een gok. Maar wel een goede.”

Wat hebt u door het maken van deze film geleerd over de relatie tussen u en uw dochter?

„Ik ben erachter gekomen dat we toch goed met elkaar kunnen opschieten en dat we behoorlijk op één lijn zitten. En ook dat de irritaties die zij altijd bij mij had in feite niet zo zwaarwegend zijn.”

Was dat een opluchting?

„Dat was zeker een opluchting. Ze kan vaak boos op me worden, ze ergert zich snel aan mij. Een klein voorbeeld: in mijn stem zit een soort klikje. Ze zegt geregeld: ‘kun je niet eens ophouden met dat vervelende klikje?’ Gek genoeg lijken die ergernissen haar nu minder dwars te zitten.”

Met dank aan de camera.

„Dat zou je toch bijna zeggen, ja. Nadat ik die film over mijn ouders gemaakt had, verliep het contact met hen een stuk prettiger. Datzelfde heb ik nu met Laura.”

Deze film heeft iets opgeklaard?

„Ja. Zonder dat dat de bedoeling was. We delen nu iets extra’s, we delen samen een geheim: die film. Ik was enorm blij dat ze er tevreden over was. Dat maakt de film voor mij bij voorbaat tot een succes.”

Uw dochter Silvia vertelde in de documentaire die David de Jongh drie jaar geleden over u maakte geëmotioneerd dat ze vaak het gevoel had dat u niet echt in haar geïnteresseerd bent. Die scene was er in de eindversie uitgeknipt. Wilde u dat?

„Nee hoor, dat wilde Sylvia zelf.”

Begreep u wat ze bedoelde?

„Ik kan me er iets bij voorstellen. Ik zei al dat we geen familie zijn waarin doorlopend over emoties en gevoelens gesproken wordt. Dat zou je dus ook kunnen interpreteren als desinteresse. Maar dat is het wat mij betreft zeker niet.”

Als je dagelijks programma’s monteert van je vader waarin hij bij wildvreemde mensen feilloos de vinger op de zere plek legt, ga je toch denken: ‘En ik dan?’

„Ja, als je het zo bekijkt, dan is het zelfs logisch.” Bromet zwijgt, zucht een paar keer diep en zegt dan grijnzend: „Ik denk dat de volgende film dus maar over haar moet gaan…”

    • Coen Verbraak