Geen direct aanwijsbare oorzaak...

Psychologie Een vieze geur, een verdachte opmerking, enge lichtflitsen of gewoon heel veel stress – mensen kunnen gemakkelijk massaal ziekteverschijnselen krijgen. Ook als een fysieke oorzaak ontbreekt.

Straatsburg, half juli 1518. Een vrouw begint plotseling op straat te dansen. Wild, oncontroleerbaar, ze kan niet meer stoppen. Ze ‘besmet’ tientallen andere mensen, die ook weer mensen aansteken. Eind augustus hebben er zo’n vierhonderd mensen meegedanst – in trance, met pijnlijke, bloedende voeten. Op hun heldere momenten roepen ze om priesters en smeken ze omstanders om hulp. Bij sommige mensen begeeft het hart het: er vallen doden.

De Middeleeuwen kenden meer van dit soort dansepidemieën, schreef historicus John Waller in 2008 in het wetenschapshistorische tijdschrift Endeavour (en hij publiceerde er dat jaar ook een boek over, A Time to Dance, A Time to Die). Het waren geen rituele dansen, maakt hij duidelijk, en de dansers waren ook niet onder invloed van bewustzijnsveranderende stoffen. Het dansen was een vorm van massahysterie die het gevolg was van wanhoop en angst.

De jaren 1517 en 1518, bijvoorbeeld, waren niet zomaar middeleeuws moeilijk, maar gruwelijk in het kwadraat. Mislukte oogsten, nieuwe jaag- en visverboden, stijgende belastingen, extreem koude winters, grote uitbraken van nieuwe en oude ziektes. Combineer dat met een heilig geloof in heiligen – met name Sint Vitus, door wiens vloek je koortsig zou gaan dansen – én met de bevinding dat stress mensen in een trancetoestand kan brengen, en die gekke middeleeuwse dansepidemieën lijken al een stuk minder gek.

Flauwvallen en slappe lach

Die in Straatsburg was een van de laatste. Na de Reformatie verdween het specifieke geloof dat eraan ten grondslag lag en daarmee het verschijnsel zelf. Maar dat betekende uiteraard niet het einde van massahysterie in het algemeen. Die vindt steeds nieuwe vormen. Massaal flauwvallen bijvoorbeeld – dat gebeurt af en toe op (meisjes)scholen over de hele wereld, zonder aanwijsbare oorzaak. Of de lachepidemie die in 1962 zestig procent van de leerlingen van een meisjeskostschool in Kashasha trof, in het huidige Tanzania: zij hadden wekenlang zo veel aanvallen van onprettige, onvrijwillige, snikkende slappe lach dat ze naar huis werden gestuurd, waar ze anderen (ook volwassenen) aanstaken.

En in 1997 werden duizenden jonge Japanse kinderen ziek nadat ze op tv een aflevering van de tekenfilmserie Pokémon hadden gezien, waarin het figuurtje Pikachu zijn ‘elektrische krachten’, verbeeld als een reeks gekleurde lichtflitsen, gebruikte om een ‘virusbom’ te stoppen. Nu kunnen snelle lichtflitsen inderdaad epileptische aanvallen veroorzaken, maar een veel groter deel van de jonge kijkers werd getroffen dan daar normaal gevoelig voor is. En ze hadden ook andere symptomen (wel misselijk en duizelig, niet kwijlen of op de eigen tong bijten). Pikant detail: toen het fragment in nieuwsuitzendingen herhaald werd – moet u eens zien wat er nu gebeurd is – werden nog meer kinderen ziek.

Vanaf daar is het nog maar een kleine stap naar de hier veel bekendere, ‘westerse’ variant van mass psychogenic illness, zoals de wetenschappelijke term voor zulke verschijnselen luidt (massale ziekte-uitbraak met psychologische oorzaak). Iemand – op school, op kantoor, in een fabriek – ruikt een verdachte geur. Gas? Schrik! Mensen krijgen hoofdpijn, worden duizelig, misselijk. Hun mond wordt droog, hun ogen prikken, hun huid begint te jeuken. Ze krabben; de huid wordt akelig rood. Er beginnen mensen over te geven, flauw te vallen. Steeds meer mensen gaan zich onwel voelen als ze dat zien. ‘In vroeger tijden’, schreef de Britse arts Simon Wessely in januari 2000 in New England Journal of Medicine naar aanleiding van zo’n voorval op een school in Tennessee, ‘waren we onderworpen aan geesten en demonen. Hoewel die vervangen zijn door onze huidige zorgen over onzichtbare virussen, chemicaliën en gifstoffen, blijven de mechanismen van besmettelijke angst dezelfde.’

Wat zijn die mechanismen? Heel exact zijn ze nog niet bekend, maar in gevalsbeschrijvingen komen wel steeds dezelfde elementen terug. Mensen krijgen bijvoorbeeld precies die cultuurafhankelijke verschijnselen of symptomen die ze verwachten te krijgen. Vrouwen worden vaker getroffen dan mannen (een interessante uitzondering daarop is koro: de besmettelijke angst, die in uitbarstingen bij vooral Aziatische en Afrikaanse mannen voorkomt, dat de eigen penis krimpt en verdwijnt). Misschien zijn vrouwen kwetsbaarder voor ziektesuggestie doordat ze in grote delen van de wereld een lagere status hebben dan mannen en daardoor meer stress. Intense spanningen en angsten maken mensen duidelijk gevoelig voor psychische besmettingen.

En: zien ziek worden doet ziek worden, vooral als je naar iemand van hetzelfde geslacht kijkt. Dat lieten Britse onderzoekers vorig jaar zien in Health Psychology. Ze hadden, in een van de weinige experimentele onderzoeken naar het verschijnsel, hun proefpersonen gewone lucht laten inademen waarvan ze zeiden dat het een of ander gas was, en er al dan niet een medeplichtige (m/v) bijgezet die deed alsof hij of zij hoofdpijn en jeuk kreeg en misselijk en suf werd. En dat werkte.

Twee Taiwanese psychiaters kwamen vorig jaar in Medical Hypotheses met het niet heel verrassende, maar nog onbewezen idee dat spiegelneuronen weleens een belangrijke rol zouden kunnen spelen bij massahysterie. Dat zijn de hersencellen die zowel actief worden wanneer iemand zelf iets doet als wanneer hij een ander datzelfde ziet doen.

Intussen is het in het wild nog knap moeilijk om een geval van mass psychogenic illness aan te tonen. Het gaat altijd om een definitie door uitsluiting: als er echt helemaal geen andere oorzaak te vinden is, dan moet het massahysterie zijn. Maar de mensen die de symptomen hebben, haten dat etiket meestal. Massahysterie, dat vinden ze iets wat anderen overkomt. Het kan prematuur zijn, schreven Canadese onderzoekers in 2007 in het Canadian Journal of Criminology and Criminal Justice, om te beweren dat er tegenwoordig minder stigma rust op psychologische stoornissen dan vroeger. Ze hadden een voorval beschreven in een stadsbus in Vancouver: een passagier had opgemerkt dat de dag een wending ten kwade zou nemen en was uitgestapt, waarna de chauffeur ‘iets rook’, misselijk werd en moest braken. Ook ambulancepersoneel werd ziek. De getroffenen, bang voor een terroristische aanslag, wilden niets van hysterie weten. Dat ambulancepersoneel, dat waren immers professionals.

Alles uitsluiten

En er speelt natuurlijk altijd het dilemma dat de onderzoekers die het geval van de school in Tennessee beschreven, en de onderzoekers die op hun artikel reageren, samen mooi verwoordden (NEJM, januari en juni 2000). Aan de ene kant, schreven de oorspronkelijke onderzoekers: blijven zoeken naar potentiële ziekteverwekkers en ziekten is peperduur. Het voedt ook de angst dat er echt iets aan de hand is, ‘anders zouden ze het niet zo serieus nemen’. En het vergroot de kans dat er iets gevonden wordt wat de oorzaak lijkt maar niet kan zijn – en dat moet dan weer uitgelegd worden. Aan de andere kant, schreven anderen in de reacties: er kan natuurlijk altijd écht iets aan de hand zijn. Waren alle mogelijke fysieke oorzaken wel uitgesloten?

En dat doet dan weer denken aan dat incident op die basisschool in Londen, 1990. Historicus John Waller, die van de dansepidemieën, schreef erover in The Guardian (18 september 2008). Plotseling werden er leerlingen ziek. Meer meisjes dan jongens. Het leek een klassiek geval van massahysterie – maar het bleek dat er ziekmakende bestrijdingsmiddelen op de schoollunchkomkommer hadden gezeten. En meisjes hadden die trouwer opgegeten dan jongens.