Een slagwerk van kermissen voor Europa

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Deze week Grondwetdichters, een Keizer, een prins en de gsm van Klink.

‘Als de huidige Europese instellingen er niet in slagen om het volk te inspireren, te charmeren, te beroeren, te raken of desnoods kwaad te maken, dan doen wij het maar.” Deze ‘wij’ zijn 52 dichters die in meer dan dertig talen poëzie hebben aangeleverd voor Neem bijvoorbeeld graniet (De Bezige Bij, 176 blz.,€19,95) De samenstellers, schrijver David Van Reybrouck en slavist Peter Vermeersch, hebben de gedichten zodanig gerubriceerd, verschoven en geknipt dat er artikelgewijs een ‘Europese grondwet in Verzen’ ontstaat die de bedoeling heeft van een samenspraak. Een inspirerend experiment waarin vurig enthousiasme en angstige twijfel om de voorrang lijken te strijden. „Wij willen geen hymnen of fanfares/ Wij hebben geen nood aan eensgezinde gezangen? Doodsliederen en salsa van koperen instrumenten/ Met slagwerk van kermissen en kornetten/ Terwijl leiders absurde leuzen neuzelen/ Van verschil, schrik en exclusieve rechten”. De bijdragen zijn afgedrukt in de oorspronkelijke talen en in het Nederlands.

Zou Lucebert, de dichter uit wiens mond de Goden spraken, zoals Rudy Kousbroek het uitdrukte, aan de Europese grondwet in Verzen hebben kunnen meewerken? Hij noemde in 1949 de Europese cultuur „anti-artistiek, a-religieus, maar wel zeer staatkundig, zeer expressief en zeer technisch ingesteld”. Dus nee, maar toch: hij wilde „de schijnbare tegenspraak opheffen” tussen „de naar levenszekerheid hunkerende massa en de naar levensvolheid hunkerende eenling-kunstenaar”. Drie voordrachten uit 1949 van Lucebert, de Keizer der Vijftigers, zijn voor het eerst gebundeld onder de titel op mijn rug rust de wind (Huis Clos, 88 blz. € 15), bezorgd door Peter Hofman en aangevuld met een uitstekend essay van Jan Oegema. Twee toespraken hield Lucebert als woordvoerder van de experimentele dichters in het Stedelijk Museum. De derde, langere voordracht, is lang verloren gewaand. Deze belangrijke toelichting van de dichter op zijn eigen werk – over aards, hemels en hels dichterschap – is aangetroffen in de nalatenschap van Ethel Portnoy.

Willem-Alexander heeft – al wordt hij koning bij Gods gratie – niet de pretentie dat door zijn mond de Goden spreken. Meestal spreekt de Rijksvoorlichtingsdienst door zijn mond. Dorine Hermans en Daniela Hooghiemstra hopen toch in een bloemlezing van korte citaten van de prins, vaak niet meer dan oneliners, een glimp te ontdekken van diens persoonlijkheid: van iemand die een hekel heeft aan gebaande paden en meer gelooft in doen dan in denken. Ik mag ook nooit iets. Willem-Alexander in zijn eigen woorden (Meulenhoff, 167 blz. €10,–) leunt zwaar op interviews door Renate Rubinstein, Ed van Westerloo, Paul Witteman en Maartje van Weegen. Pijnlijk voor hemzelf en voor Máxima is het citaat waarin hij beweert dat beiden door hun ouders met identieke normen en waarden zijn opgevoed.

De reconstructie van een kabinetsformatie, ‘gebaseerd op gesprekken met vele sleutelfiguren’, wekt de verwachting dat er iets in staat wat nog niet bekend was. Helaas heb ik geen enkel onbekend feit kunnen vinden in Het slagveld. De lange weg naar het kabinet-Rutte door journalist Bert Bukman (Meulenhoff, 287 blz. € 19,95). Het verhaal is vlot en vaardig geschreven, maar levert niets nieuws op voor wie in de zomer van 2010 kranten las en televisie keek. Het blijft bij veronderstellingen. Bijvoorbeeld dat de variant ‘Paars Plus’ (VVD, PvdA, D66 en GroenLinks) mislukte door gebrekkige regie en moeizame verhoudingen tussen de informateurs Wallage en Rosenthal. Of dat oud-minister Klink het minderheidskabinet met gedoogsteun van de PVV had kunnen tegenhouden als hij niet voortijdig was opgestapt. Bukman verlevendigt zijn verhaal door te doen alsof hij overal bij was, als een vlieg aan de muur. Hij verzint dialoogjes tussen koningin Beatrix en informateur Lubbers ten paleize, herhaalt informele gesprekken tussen politici op een Haags terras, reproduceert telefoontjes („Mag ik Maxime even? vraagt Klink”) en kan zelfs de gedachten van de betrokkenen lezen. Zo’n alwetende verteller had kunnen onthullen wie in het CDA de brief van Klink tegen een gedoogconstructie met de PVV liet uitlekken naar de NOS. Maar dat staat er dus niet in.

Ook niet trouwens in Graven rond het Binnenhof, verhalen over Den Haag door Ferry Mingelen (Conserve,199 blz. € 17,99). Maar deze politieke journalist pretendeert hier niet meer dan aardige impressies te geven van het Haagse leven vroeger en nu. Voor Hagenaars en Hagenezen.

Elsbeth Etty