Een parelsnoer van stadjes

De Amalfikust is om te huilen zo mooi. Maar wat doet die ‘buitenaardse ufo’ in dit feeërieke decor?

De Amalfikust, even ten zuiden van Napels, is bezongen, beschreven, geschilderd en verfilmd. Kunstenaars kunnen er geen genoeg van krijgen. Wagner, Ibsen, André Gide, D.H. Lawrence, Shelley, Goethe, Italo Calvino, Virginia Woolf, Tennessee Williams, Roberto Rossellini – om er maar een paar te noemen. Wie de kust vanaf het water ziet, kan niet anders dan ze gelijk geven. Het aaneengeregen parelsnoer van tegen de steile bergwand geworpen witte stadjes – Positano, Amalfi, Sorrento, Ravello – is uniek in de wereld, zo feeëriek.

Zelfs de notoir recalcitrante ruziemaker Gore Vidal kwam hier tot rust. De schrijver noemde het ‘het mooiste uitzicht ter wereld’. En het behaagde de Unesco om het hele gebied, als cultureel landschap, uit te roepen tot World Heritage Site. Dat betekent zoiets als: afblijven. Als de Unesco ergens het stempel van erkenning opzet, mag er niets meer aan worden veranderd.

En toen ineens in 2006, midden tussen de cipressen, achttiende-eeuwse klokkentorens en eeuwenoude dorpsgezichten, verrees in Ravello (bijgenaamd La Bellissima) een immens hagelwit gebouw, een glooiende fabriekshal met, als een enorm boos oog, een grote raampartij in de zuidgevel. „Een ufo die is geland op de verkeerde planeet”, schreef een plaatselijke krant. Hoe durfde men deze plek, door schrijver en dichter Gabriele d’Annunzio ooit omschreven als „zijnde gekust door de eeuwigheid” op deze manier te bevuilen? Deze concertzaal van de Braziliaanse architect Oscar Niemeyer had zomaar toestemming gekregen om gebouwd te worden. Niemand wist te vertellen hoe dat mogelijk was, noch waarom de EU er 8 miljoen euro exploitatiesubsidie voor had gegeven. En niemand wist ook, letterlijk daags na de officiële opening, waar die 8 miljoen was gebleven. Want na het openingsfeestje ging de tent dicht. Het geld voor de exploitatie was op. Of in ieder geval: foetsie. Pas dit jaar, na vijf jaar leegstand, worden er dankzij nieuwe subsidies weer concerten gegeven. Maar de EU-commissie moppert. Die wil opheldering over het geld. Anders gaat de knip (weer) dicht.

Er zijn meer mensen die mopperen. Vlak boven het hagelwitte dak van het auditorium liggen de drie chicste hotels van Ravello op een rij – hotel Caruso, Palazzo Sasso en het Palumbo – waar de gasten op wit gehoesde ligbedden aan cocktails nippen in de weelderige hoteltuinen met weidse vergezichten over de heuvels en de zee. En met zicht op het dak van het auditorium. Openlijk klagen doet niemand. Fluisteren des te meer. Zit de maffia achter de verdwenen geldstroom?

De plaatselijke bevolking maakt zich ook druk over het lot van de immense villa van Gore Vidal. Vidal woonde hier decennialang, maar keerde recentelijk terug naar de Verenigde Staten, te oud voor de steile berghellingen van deze kust. Wordt de villa het zoveelste luxueuze toeristenadres, zoals ook gebeurde met de domiciliën van Rudolf Nureyev (zijn privé-eiland Li Galli – volgens de legende de plek waar de Sirenen schippers lokten – stond eerst te koop voor 195 miljoen euro, maar wordt nu bij gebrek aan een koper verhuurd voor 40.000 euro per nacht). En Tre Ville (drie villa’s) van regisseur Franco Zeffirelli in Positano is nu een van de mooiste hotels uit de regio, met liften die dwars door de rotsen zoeven en privézwembaden bij de suites van waaruit je direct de zee in kunt zwemmen.

De hotelboot brengt de gasten op afroep waarheen ze maar willen. Naar Capri bijvoorbeeld, waarvandaan keizer Tiberius ooit per boot naar Positano ging om brood te kopen. Zijn allesbehalve liefhebbende moeder Livia had er een handje van iedereen te vergiftigen die haar niet beviel of in de weg zat. Zoonlief vreesde voor zijn leven en wantrouwde het brood op Capri.

De streek werd eeuwen geteisterd door familievetes en oorlogen tussen naburige steden (zoals Pisa en Genua) die de strategische kust in handen wilden krijgen. In de twaalfde en dertiende eeuw floreerde de handel in Positano, in de zeventiende eeuw was het de zijdeproductie die het stadje schatrijk maakte. In de negentiende eeuw trad het verval in. Toen een schip op weg naar Amerika er onderweg aanlegde voor nieuwe proviand, stapte niet minder dan driekwart van de achtduizend inwoners aan boord en vertrok richting de nieuwe wereld om daar geluk en fortuin te zoeken.

Jetset

In de jaren dertig ontdekte de jetset de kust, maar in de jaren vijftig was het er nog zo stil dat John Steinbeck – die er was komen wonen – schreef dat er „van toerisme geen sprake is, eenvoudig omdat er geen toeristen zijn”. Nu is het de drukst bezochte kuststrook ter wereld. Inwoners van Capri en Ravello – vermaard om hun snobistische inslag – verlaten ’s zomers hun ommuurde villa’s pas in de avonduren, als alle dagjesmensen zijn verdwenen. Mijd het gebied dus in de zomer, want het is niet gemaakt voor zoveel mensen. De huizen zijn vanwege de steile hellingen bijkans bovenop elkaar gebouwd, de wijkjes zijn via eindeloze trappen met elkaar verbonden en er is maar één eenbaansweg die zich erdoorheen kronkelt. Omdat die weg zo ijselijk steil is heeft Frommer’s reisgids drie basisregels ervoor: 1. Kijk niet omhoog , 2. Kijk niet omlaag, 3. Kijk helemaal niet.

Obers hebben hier het gevaarlijkste beroep, want vaak ligt het terras aan de ene kant en het restaurant aan de andere kant van deze in het hoogseizoen immer verstopte verkeersader. En automobilisten en vooral buschauffeurs zijn zo geïrriteerd door alle drukte dat ze de obers liever doodrijden dan laten oversteken.

Maar in voor- en najaar, en zelfs in de winter, is het hier paradijselijk. Er zijn intieme strandjes, romantische vergezichten, Romeinse opgravingen (al moet gezegd dat die in het nabijgelegen Paestum – hoe beroemd ook – nogal tegenvallen), schitterende kerken, kloosters en kathedralen en onwaarschijnlijk fraaie wandelwegen: Il Sentiero degli Dei, het godenpad, loopt tussen Agerola en Positano. De tocht duurt ongeveer drie uur en – schreef E.M. Forster – „makes every man cry”. Maar misschien wel de allermooiste wandeling ter wereld is de Pizzolungo op Capri. Halverwege de steile route ligt de wereldberoemde Villa Malaparte.

En dan hebben we het nog niet eens over het eten, zoals een taartje van inktzwarte rijst met een vis- en wilde venkelsaus, of een van de andere plaatselijke specialiteiten, zoals de eenvoudige, maar daarom niet minder te versmaden insalata Caprese, genoemd naar het eiland Capri. Het Italiaanse gezegde luidt dan wel ‘Napels zien en dan sterven’, maar mijns inziens kun je Napels beter overslaan en vanaf het vliegveld linea recta naar de Amalfikust gaan.