Zwarte Piet en pepperspray

Kunstenaars Quinsy Gario en Kno’ledge Cesare nemen op zaterdag om half tien ’s ochtends de trein van Amsterdam naar Dordrecht. Ze hebben beiden een donkere huidskleur en voeren een kunstproject uit, met als titel Zwarte Piet is Racisme. Ze willen mensen aan het denken zetten over raciale gevoeligheden.

Het idee ontstond op 1 juni, tijdens een poëziefestival in Utrecht. Welke gedachten hadden hun blanke collega’s, allemaal linkse cultuurmakers, over raciale verhoudingen in Nederland? Ze bedachten een T-shirt met de tekst ‘Zwarte Piet is racisme’. Quinsy verwachtte heftige reacties, maar men keek alleen vreemd: beginnen over Zwarte Piet, op 1 juni?

Quinsy gaf zijn project niet op. Hij wilde dialoog uitlokken, mensen prikkelen om na te denken, hen uitdagen om andere invalshoeken te proberen. Dus bleef hij festivals en culturele manifestaties bezoeken, steeds weer met dat T-shirt en daarop die eenvoudige tekst. Langzaam ontstond iets van een dialoog. Hij noteerde alle opmerkingen. Deze maken integraal deel uit van zijn kunstproject.

De meeste aanwezigen op de festivals vonden de bewering onzinnig. Sinterklaas is een kinderfeest. Het is traditie. Het is altijd zo geweest. Jullie snappen het niet, omdat jullie geen Nederlanders zijn.

We zijn wel Nederlanders, repliceerde Quinsy. Hij is geboren op Curaçao, binnen het Koninkrijk. Zwarte Piet bestaat maar 160 jaar. Bovendien zijn tradities niet onveranderlijk. Het Sinterklaasfeest is steeds weer aangepast. De roe en de zak om stoute kinderen te straffen bestaan niet meer. Andermans tradities worden trouwens moeiteloos afgeschaft: boerka’s van moslims, het ritueel slachten door joden en moslims. De grappigste reactie vond Quinsy de opmerking van een blanke man die zei dat hij zelf geen racist was, maar Zwarte Piet leuk vond – dus was het geen racisme.

Toen Quinsy voor de intocht van Sinterklaas naar Dordrecht ging, was hij niet zenuwachtig. Tot dan toe waren alle gesprekken vreedzaam geweest. Nederland is geen land van geweld, dacht hij.

De avond ervoor had hij een dekbedovertrek in tweeën gescheurd en bespoten met dezelfde tekst als op zijn T-shirt. Het zou druk zijn. Mensen zouden de boodschap op zijn shirt misschien niet kunnen lezen. Stokken voor zijn spandoek had hij niet. Die kon hij in Dordrecht kopen.

In Dordrecht gingen Kno’ledge en hij naar de Blokker. Ze kochten twee bezemstelen. In een steegje probeerden ze hun doek aan de stokken vast te maken toen ze werden aangesproken door een politieagente. Ze snapte hun punt wel – ze was van Indische afkomst – maar het mocht niet. Haar mannelijke collega was minder begripvol. Hij zei dat de gemeente veel geld had besteed aan deze gebeurtenis en dat men geen afwijkende meningen tolereerde.

Quinsy en Kno’ledge rolden hun spandoek op en gingen op het plein staan. Hun T-shirt was duidelijk zichtbaar. Iets na twaalf uur werden ze ineens omsingeld door vijf agenten, die zeiden dat ze daar weg moesten. Waarom? Hij zei niets. Hij stond daar maar. Er bestaat zoiets als vrijheid van meningsuiting…

Hierop werd hij tegen de grond gegooid, geslagen en geschopt. Terwijl hij op de grond lag, werd pepperspray in zijn ogen gespoten. Hij werd een half uur tegen een muur vastgehouden. Kno’ledge kreeg een soortgelijke behandeling.

Op het politiebureau vraagt de agent waarom hij het deed. Het is een kunstproject, zegt Quinsy. Hij wilde geen kinderfeest verstoren. Het is soms moeilijk je in te leven in een ander. Je kunt mensen per ongeluk vernederen, zoals Nederland doet met Zwarte Piet. Hij wil de mensen een zekere gevoeligheid bijbrengen. Hij wil het voorstelbaar maken dat het zwarte mensen pijn doet, als ze worden geridiculiseerd in het grootste feest van het land.

De dienstdoende agent kijkt hem niet-begrijpend aan. Die pepperspray is over twee uur uitgewerkt, zegt hij.