Zeven keer sterven achter elkaar

Edwin Fagel: Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin. Nieuw Amsterdam, 45 blz. € 14,90

‘Lees maar, er staat niet wat er staat’, luidt een te pas en te onpas gebruikt citaat uit Awater van Martinus Nijhoff. Bij de poëzie van Edwin Fagel kan dit citaat worden uitgebreid tot ‘Er staat niet wie er staat’. Waar het de personages in Fagels gedichten betreft is immers vrijwel alles onzeker. Zijn tweede, in een beperkte oplaag verschenen bundel Schilder en model (2009) bood een markant voorbeeld van wat ik ‘persoonsverduistering’ zou willen noemen. De schilder verbeeldt zijn model als ‘een lichaam waar bladeren aan groeien.// ‘We kunnen haar bijna aanraken,’/ riep ieder die het zag.’ Maar twee gedichten later al concludeert de lyrische ík: ‘Deze vrouw is geen vrouw./ Deze boom is geen boom.// Dat kan natuurlijk niet/ zonder gevolgen blijven.’

Het is jammer dat Fagel de negen verzen uit Schilder en model niet in zijn derde bundel heeft opgenomen. De reeks had een mooie sleutelfunctie kunnen hebben voor de poëtische doolhof in Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin. Niets is daarin wat het lijkt, want niets is durend in dit verraderlijk hechte bolwerk.

Het taalgebruik is uitnodigend open, maar wie betekenis zoekt vindt geen uitzicht, maar hooguit kieren. Zijn de reiger en de gestorven vader in de cyclus ‘Ineens stond alles in een ander licht’ verschijningen van hetzelfde personage? Is de ‘ik’ betrokkene of louter toeschouwer? Ook bij herlezing blijven die vragen voor mij onbeantwoord.

Sterft in de eerste cyclus een vader, in de tweede is het de moeder die doodgaat. ‘Contouren’ heet die tweede reeks, en alle zeven gedichten ervan beginnen met ‘Toen ze stierf’. Opnieuw is niets wat het is en verschuift de aard van de personages gedurig. Dood en geboorte vloeien samen, ‘en ik wist: zij is mijn moeder en ik ben haar vader’.

In één adem door beschrijft Fagel in het volgende vers de ‘zij’ als een huilende man met zachte gedachten en een vloekende vrouw aan de ontbijttafel. Die tweeslachtigheid is verwarrend, maar dat is ook bewust de functie ervan. ‘Contouren’ is de hartroerende kern van deze bundel. Weinig jonge dichters weten zo intens, want zintuiglijk als Fagel taal te geven aan de verwarring van het absolute afscheid. Moedwillig heb ik de cyclus proberen te lezen zonder de openingsregels met het woordje ‘stierf’. Ook toen ademden de verzen liefdevolle rouw.

In de twee laatste reeksen van de bundel, ‘Departures’ en ‘Gesprek met de serveerster’, wisselen zowel het decor als de personages. Ik, zij en jij lopen desoriënterend dooreen. Het is ook niet altijd duidelijk door wiens ogen we kijken en wie aan het woord is. Toch valt de wereld die Fagel schetst niet in scherven, en zijn personages en situaties blijven levensecht. Zelfs als het vers niet meer is dan een raadselachtige momentopname’, zoals het laatste gedicht van ‘Departures’:

Ik lag in het zand en keek naar een meisje dat

met wat vrienden tegen een strandbal trapte. Ze was vrolijk

en haar benen waren mooi. Als ik goed luisterde hoorde ik

de bel. De serveerster stond bewegingloos aan mijn tafel,

het stel dat lachend in de hoek zat zweeg abrupt

en haar hand hing in mijn richting. Ik keek om.

De deur is op slot, zei je toen je uit het water kwam.

Je kan er niet door. Het meisje pakte de bal op

en volgde het groepje dat het strand verliet.

Hier lijkt niets te gebeuren. Handeling is dan ook secundair in Fagels poëzie.

In de slotreeks geven omstanders commentaar op het werk van de dichter. ‘Stop er toch mee’, zegt de serveerster. ‘Het zijn maar woorden.’ Dan citeert de dichter Jesaja, en dat maakt indruk. ‘Er stijgt een unisono gemompel op, / iemand staat op: Gefeliciteerd jongen, met die prachtige / gedichten van je!’ Maar niet iedereen is idolaat. ‘Je staat naast me en zegt:/ Wat wil je eigenlijk? Je zit maar te schrijven/ over je kleine leven, het (ja, ja) goddelijke meisje,/ culminerend in een reeks gebeden aan een afwezige,/ wie of wat hij of zij ook moge zijn.’

De cursieve regels verwijzen naar Fagels eerste, met de Jo Peters PoëziePrijs bekroonde bundel Uw afwezigheid. De titel ten spijt ontbrak daarin alle poëtische poeha die om lauwerkransen vraagt. In Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin mijdt de dichter opnieuw elke vorm van grootspraak. Zelfs de veelbelovende titel verwijst naar een schijnbaar onbetekenend moment in de bundel. De poëzie van Edwin Fagel dringt zich niet op, maar is in haar eenvoud toch biologerend.