Waarom zat de Hoge Raad fout?

Corjo Jansen, m.m.v. Derk Venema: De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950. Boom, 352 blz. €29,90

De belangrijkste vraag na lezing van dit boek is uiteraard: Moet ik mijn beeld van de ‘De Hoge Raad in de Tweede Wereldoorlog’ bijstellen? Begrijp ik nu beter waarom de raadsheren destijds zwegen, Duitse wetten witwasten en de jodenvervolging accepteerden? En hoe slaagden zij erin na de oorlog goeddeels aan een zuivering te ontkomen? Die geschiedenis is wel gedocumenteerd, maar vooral in stukjes. Als deel van de algemene geschiedschrijving over de oorlog, biografieën over individuele raadsheren, studies over arresten uit de oorlog. Er is één echte studie, In naam van het Recht (1984) van P.E. Mazel, maar dat was kennelijk niet genoeg om dit zwarte verleden zoals dat heet ‘een plaatsje te geven’. Daarin slaagt dit boek van de Nijmeegse rechtshistoricus Corjo Jansen (met Dirk Venema) met ere.

Nu is mijn hand gauw gevuld, zeg ik er bij. Net als de gemiddeld geïnteresseerde lezer weet ik niet meer van de Hoge Raad tijdens de oorlog dan dat de heren fout zaten. Maar waarom? Dit boek laat beeldend de enorme reserve van de hoogste rechters zien om de wetgever te hinderen, van welke aard of kleur en in welke politieke context dan ook. Het boek schetst de rechtsontwikkeling in de jaren dertig: het invloedrijke Duitse recht waardoor het ‘gemeenschapsdenken’ blijvend in het Nederlandse recht terecht kwam; de stapjes die de vooroorlogse Hoge Raad nog maar net was gaan zetten van uitleg naar rechtsvorming, maar alleen daar waar de wetgever echt afwezig was.

Het laat zien waarom topjuristen uit het vooroorlogse Indische bestuur met een autoritaire inslag, een ‘Duitse’ benoeming in de Hoge Raad konden accepteren, zonder het gevoel te hebben fout te zitten. Maar het boek tekent vooral het geloof in de vooroorlogse wettelijke instructie om als ambtenaar op je post te blijven, om ‘erger’ te voorkomen. Nederland moest zo ‘normaal’ mogelijk blijven. Een vorm van wensdenken, niet toegesneden op het erger wordende Duitse bewind. Die eendimensionale gezag- en wetsgetrouwe houding was de bron van de diepe verongelijktheid toen sommigen achteraf op het matje moesten komen. Beroepsblindheid, falend politiek kompas, gebrek aan moed, ivoren-torengedrag, slecht contact met de (ondergrondse) publieke opinie – lezend bouw je een register aan beroeps- en karakterzwaktes van deze raadsheren op. Samen te vatten als vervreemding ten opzichte van de wereld van toen. In combinatie met een sluw opererende Seyss-Inquart, ook een jurist, en de gedreven collaborateur Schrieke, topman op Justitie, vielen de raadsheren van toen, de beroepsarrogantie intact, van hun voetstuk. Een fijn geschiedenisboek, waarbij je de juridische wetenschapsstijl op de koop toe neemt.

Het thema de ‘foute Hoge Raad’ is in die kringen nog altijd omgeven met schaamte. Die komt voort uit de hoge morele pretentie die de hoogste juridische beslisser had en heeft. Hoe kon de hoogste rechtsbron de plank zó misslaan? Die pretentie werd in ’40-’45 zo grondig bedorven, dat het ook zeventig jaar later moeilijk te accepteren is dat zoiets überhaupt kon. Achter de opdracht voor dit boek uit 2009, van de huidige president van de Hoge Raad, zit dan ook een ‘causa finita’ gevoel. Deze kwestie móet uitgezocht worden en, vooral, van een historisch oordeel worden voorzien. Daarbij ging het niet eens zozeer om de feiten, die al bekend waren, maar vooral om de context en de nasleep. Wie droeg er nu echt de schuld? Dat oordeel staat er gelukkig ook in. Eigenlijk kun je dit boek ook lezen als een arrest ‘in eigen zaak’, door een buitenstaander. De Hoge Raad liep deels in de val van de bezetter, die de rechtspraak onafhankelijkheid beloofde, maar stil naar een geleidelijke nazificatie streefde. Uiteindelijk deden de heren het helemaal op eigen kracht fout, hoewel ze beter hadden kunnen en moeten weten. Ook wie in de jaren dertig alleen de juridische vakbladen las, was gewaarschuwd. Desondanks tekende de Raad gehoorzaam de ariërverklaring, zonder te doorzien dat het zo de eerste antisemitische maatregel legitimeerde. Het kostte de eigen joodse president L.E. Visser zijn functie – als een gewoon feit al in 1940 geaccepteerd.

De Raad wenste vooral de continuïteit van de rechtspraak en de rechtsvorming te garanderen en zich politiek niet te profileren. Een verkeerd begrepen gezagstrouw, waarover Cleveringa hun intern voortdurend de oren waste, maar wat niet overkwam. Ook scherpe kritiek in de illegale pers en binnen de regering in ballingschap, was de Hoge Raad vroeg bekend. Maar dat leidde nog tijdens de oorlog tot een geharnaste verdediging.

De gekozen ‘weg van het minste kwaad’ was een blamage, geheel uit eigen koker. Men vergat simpelweg een moreel voorbeeld te zijn of was er niet toe in staat. Na de oorlog werd het niet rechtgezet. Die rechtsvorming ging inderdaad gewoon door – tijdens de oorlogsjaren zijn twee standaardarresten gewezen die in het recht nu nog een rol spelen. De kansen die er waren om zich principieel op te stellen (die de Belgische en de Noorse rechters wel namen) werden grotendeels gemist, hoewel er af en toe intern door de Raad bij de bezetter wel werd gereclameerd. Bijvoorbeeld toen er twee Leeuwardense rechters door Seyss-Inquart werden ontslagen na een onwelgevallig arrest. Als collectief faalde de Raad – men wist elkaar niet te vinden, miste ook leiding. ‘De beginselen van de rechtsstaat hadden de raadsheren als zand door de vingers laten glijden’, schrijft Jansen. Daarmee werd de rechtspraak én de advocatuur een moreel ijkpunt onthouden. Om van de bevolking te zwijgen.

De echte deceptie zit echter in de onmiddellijk naoorlogse houding van de Hoge Raad. Onder leiding van de nieuwe president Jan Donner (grootvader van de huidige minister) begon het ‘grote verdringen’, schrijft Jansen. De eerste naoorlogse kabinetten pakten de Hoge Raad aanvankelijk hard aan, maar liepen vast in de staatsrechtelijke bescherming van de rechtspraak. Donner senior komt er in dit boek slecht af. Weliswaar was hij de enige raadsheer die in de oorlog vrijwillig aftrad, geen on-riskante stap overigens. Maar dat deed hij onder zware druk van het verzet – de houding van de Hoge Raad in die jaren verdedigde hij gloedvol. Jansen stelt hem voluit mee aansprakelijk.

Donner wist door rekken en een ‘behendig steekspel’ de Raad vrijwel buiten schot te houden. De heren waren verbaasd over de kritiek en voelden zich onheus behandeld. Niemand trad (vrijwillig) af. Tekenend en meer dan pijnlijk is dat Donner bij zijn entreerede als eerste naoorlogse president de achterliggende periode geen woord waardig keurde. Ook zei hij niets over de ontslagen Visser, die wel precies zag wat er gaande was, terwijl Donner nota bene de rede hield in de toga die de dochter van Visser de nieuwe president had geschonken. Deemoed ontbrak, evenals schuldbesef. De oorlogsperiode was een blamage, maar de zwijgende doorstart was eigenlijk erger.

    • Folkert Jensma