Vier romans geschreven, maar gezakt als inburgeraar

Gevierd romancier Rodaan Al Galidi vraagt op vakantie altijd eerst of hij een fiets kan huren. Die inburgeringstoets zou hij dus wel halen, dacht hij – maar wanneer wordt een vrouw eigenlijk weer ongesteld na een miskraam? Een verslag van zijn poging om een burger van Nederland te worden.

Altijd dacht ik dat ik al ingeburgerd was. De Nederlandse taal is mijn vak. Ik verdien er niet alleen mijn brood door, maar ook mijn roti-kip en slagroomtaart en ik ben er zeker tien uur per dag mee bezig.

Ik heb net voor Nederland de EU-literatuurprijs gewonnen met mijn vierde Nederlandstalige roman, De autist en de postduif, en daar ben ik zo blij mee en trots op. Eind deze maand reis ik af naar Brussel om de prijs uit handen van prinses Laurentien te ontvangen.

Soms voel ik me zelfs niet alleen een Nederlander, maar zelfs helemaal Hollander, als ik met iemand spreek die niet weet wie Rutger Kopland, Erik Jan Harmens, Tommy Wieringa of Tsead Bruinja is. Maar als de literatuur niet genoeg is om te laten zien dat ik een burger ben, kan ik het ook bewijzen, want ik ben twee keer Zwarte Piet geweest. Op vakantie dacht ik zelfs weleens dat ik te ingeburgerd was, omdat het eerste wat ik altijd doe is: vragen waar ik een fiets kan huren.

Ik dacht dus dat ik die inburgeringtoets wel zou halen.

Ik had me een voorstelling gemaakt van de vragen.

Onder een fotootje van Vincent van Gogh de vraag „Welk lichaamsdeel heeft deze kunstenaar afgehakt?”

a. zijn penis

b. zijn tong

c. zijn oor

d. zijn internetkabel

Of onder een foto van de Nachtwacht de vraag „Wie schilderde dit schilderij?”

a. Gaddafi

b. Picasso

c. J.P. Balkenende

d. Rembrandt

Of: „Op 11 november wordt er aangebeld. Er staan kinderen met lichtjes voor de deur. Ze zingen Sint Maarten, Sint Maarten, de koeien hebben…”

a. taarten

b. rondvaarten

c. ov-chipkaarten

d. staarten

Dit liep net even anders. Het examen bestond uit dertig vragen waar ik vijfenveertig minuten de tijd voor kreeg. Ik vroeg de examinator of ik pen en papier mocht. Ze keek me aan en zei rustig en langzaam: „Dat is absoluut verboden.” De nadruk lag duidelijk op „absoluut”, terwijl ik het toch netjes had gevraagd en niet dwingend of smekend. Ik legde uit dat ik de vragen waar ik niet meteen een antwoord op wist wilde noteren, waarop zij me uitlegde dat de vragen die ik niet beantwoordde boven in het scherm grijs zouden blijven en de vragen die ik beantwoord had oranje werden. Voor het examen begon, waarschuwde ze me nog. „Let op de tijd. Die vijfenveertig minuten kunnen snel omvliegen.”

De toets begon.

De meeste vragen werden voorafgegaan door een filmpje over de Marokkaanse Mo en Amal en hun families. Ik denk eerlijk gezegd dat half Nederland zich zou schamen voor die filmpjes en ik weet niet wat de Marokkanen zullen denken als zij ermee geconfronteerd worden. Mo en Amal weten niet eens het verschil tussen een bus- en een treinkaartje! Na elke film volgde een stuk tekst, dan een aantal multiplechoicevragen.

Bij de vijfde vraag aangekomen, zag ik dat meer dan de helft van de tijd al verstreken was. Ik moest nog vijfentwintig vragen beantwoorden! De proefvragen op internet waren simpel geweest, maar de vragen in de toets waren voor mij een verrassing. Tien ervan konden alleen door een vrouw beantwoord worden. Ik weet niet wanneer een vrouw ongesteld wordt na een miskraam, want ik, ik kan het bewijzen, ben nooit zwanger geweest en heb nooit een miskraam gehad.

Ook waren er vragen als: Mo heeft een uitkering en wil zijn zoontje naar de crèche laten gaan. Wie betaalt daarvoor? Ik heb gelukkig geen uitkering en ik ben nooit in een crèche geweest. Mmmmm.

Volgende vraag: Mo en Amal hebben een huis van de woningstichting. Als de kosten hoger zijn dan hun uitkering, wat zal er dan gebeuren? Ik heb geen huis van de woningstichting gehad. Alweer een vraag waarvan ik de situatie niet had gehad. Er was geen vraag over Nederland, de molens, de Dam, de grachten. Ik miste iets over een kermis, een carnaval, over dat kleine café aan de haven. Ik kwam Johannes Vermeer of André Hazes niet tegen en ook Herman Brood niet, bij wiens geboortehuis in Zwolle ik vaak langsloop. Een vraag ging over vijf mei, die ik snel beantwoordde. Weer keek ik naar de films en las de teksten om de vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Om eerlijk te zijn, ik weet niet wat ‘hbo’ en ‘cao’ is.

Er stonden nog meer afkortingen in de vragen en de tijd ging snel. Elke seconde hapte het horloge weer een stukje van mij als burger. Soms zat de computer een paar seconden vast, terwijl die seconden belangrijk voor mij waren om burger te kunnen zijn. Een herkansing zat er niet in, want deze toets mag je slechts één keer doen, niet vaker.

Na veertig minuten was ik bij vraag achttien en volgde ik het advies van de vrouw om de laatste paar minuten de vragen niet te lezen, maar gewoon te gokken. Ik maakte alle grijze vragen oranje.

Afgelopen vrijdag kreeg ik post. Ik opende de brief en zag meteen staan: 70 procent goed. Ik riep het uit: yes! Eindelijk een burger! Maar even naar rechts stond er: niet geslaagd.

Even stond ik stil bij die gedachte en staarde ik in de grijze lucht. Als de bedoeling van de toets is dat je je thuis voelt in dit land en als je niet slaagt dus niet, ben ik alsnog geslaagd. Nu zou ik alsnog een inburgeringcursus moeten volgen en moet ik Mo worden. Of misschien Amal. Negen jaar lang wachtte ik in asielzoekerscentra om mijn asielzoekerheid te bewijzen, om te bewijzen dat ik een burger ben, had ik slechts drie kwartier gehad. Jammer, toch?