Van strippers tot scrabble

Lesley-Ann Jones: Freddie Mercury. De definitieve biografie. Vert. Inger Limburg en Tjitske Zuiderbaan. De Boekerij, 366 blz. € 19,95 (geb.)

Is twintig jaar dood een jubileum? Het is koper noch zilver, dus eigenlijk niet; maar dat belet de wereld niet om de twintigste sterfdag van Queen-zanger Freddie Mercury, donderdag aanstaande, groots te vieren. Op de radio zullen de hele dag Mercury’s liedjes klinken; fans huilen bij zijn monsterlijke standbeeld in Montreux; en in de boekhandels liggen de exemplaren van ‘de definitieve biografie’ die de Britse ex-popjournaliste Lesley-Ann Jones net op tijd heeft afgekregen.

Freddie Mercury was een popster van de overtreffende trap. Zijn gedrag op het podium was uitzinnig, zijn kostuums – variërend van hermelijnen mantels en strakke jumpsuits tot zwembroekjes met bretels – waren even origineel als ridicuul. Seks met zoveel mogelijk mannen (en af en toe een vrouw) en geld uitgeven waren zijn favoriete hobby’s; hij gedroeg zich als een Paris Hilton met vakantie in Fellini’s Satyricon.

En natuurlijk betaalde Mercury daar in de beste rock-’n-rolltraditie een hoge prijs voor. „Ik heb een monster gecreëerd en dat monster ben ik”, tekende zijn biografe uit zijn mond op in 1986. En: „Dit is wat ik wilde [...] Succes, roem, geld, seks, drugs – [...] maar ik begin in te zien dat ik nu net zo graag weer van dat alles weg wil vluchten.”

De referentie naar Frankenstein is toepasselijk voor een ster die – net als de dokter en zijn monster – een belangrijk deel van zijn leven doorbracht aan het Meer van Genève. Alleen kwam hij nog ellendiger aan zijn eind dan de hoofdpersonen van Mary Shelley’s roman. Gesloopt door aids, dat hij als een van de eersten had opgelopen in het nachtleven van Londen, New York of München, stopte hij na zijn 45ste verjaardag met zijn medicijnen en stierf hij blind en broodmager op 24 november 1991, een etmaal nadat hij de wereld van zijn fatale ziekte op de hoogte had gesteld.

Mercury’s nalatenschap, geschapen in samenwerking met de andere leden van Queen (gitarist Brian May, drummer Roger Taylor en bassist John Deacon), is fenomenaal: twee dozijn albums waarvan er achttien nummer één werden, 300 miljoen verkochte exemplaren, en een stuk of vijftig inmiddels klassieke popsongs in uiteenlopende stijlen, van hardrock tot music-hall. Platen als A Night At The Opera (1975) en The Works (1984) waren van grote invloed op artiesten als George Michael, Robbie Williams, Mika en niet te vergeten Lady Gaga, die zich noemde naar de Queen-song ‘Radio Ga Ga’. Het had trouwens weinig gescheeld of ze had een nog bezopener pseudoniem gehad, want de monsterhit van twee jaar voor haar geboorte had de werktitel ‘Radio Caca’.

Deze laatste anekdote wordt verteld in Jones’ biografie, terwijl aan het belang van Mercury en Queen voor de popmuziek bitter weinig aandacht wordt besteed. Freddie Mercury lijdt aan het bekende euvel van popbiografieën: de even hinderlijke als slaapverwekkende neiging om in te zoomen op decadente feestjes, love interests en wereldtournees, met verwaarlozing van de analyse van het muzikale oeuvre. De matig schrijvende (en ook matig vertaalde) Jones begint haar verhaal nog wel goed, met het verpletterende optreden van Queen op Live Aid (1985), dat de band niet alleen miljoenen nieuwe fans maar ook het respect van hun collega’s en – eindelijk – de critici opleverde. Maar daarna volgt toch een tamelijk saaie weergave van Mercury’s leven: van zijn jeugd in Zanzibar en India (Farrokh Bulsara, zoals Mercury heette, was van Parsi-afkomst) tot zijn eenzame einde.

Heel af en toe kijk je ergens van op. Dat Mercury zich bij zijn eerste schreden op het poppodium vooral spiegelde aan Jimi Hendrix; dat hij met ‘Somebody To Love’ probeerde om een gospel à la Aretha Franklin te schrijven; dat tijdens de laatste tour van Queen in 1986 de wilde afterparty’s (met dwergen, travestieten, voodoodansers en lesbische stripteaseuses) werden vervangen door potjes Scrabble; en dat de leden van Queen, maar vooral de fans, heel trots zijn op het feit dat niemand ooit nog voor zijn lol een plaat opzet van de punkbands die in 1986 op Mercury spuugden, maar dat geen festival of voetbalwedstrijd compleet is zonder ‘We Are The Champions’ en ‘We Will Rock You’.

Maar toch: Freddie Mercury had een mooier monument verdiend.